Een kwajongensverhaal uit Brussel

Na vier dagen stappen doorheen de bergen vond ik dat ik het wel verdiend had om die avond op restaurant te gaan.

Het dorp was zodanig afgelegen dat de enige kruidenier er enkel brood verkocht op bestelling. Het mocht dus enigszins verbazen dat er zich in een dergelijk oord een hotel-restaurant-café bevond. Aan de bar dronken de mannen pastis. Er werd een televisietoestel geïnstalleerd, dat aangevoerd werd in een kruiwagen. “C’est comme ça dans la vie”, zei één van de dorpelingen, “tout s’améliore toujours”.

Er werd mij teken gedaan dat ik in de zaal ernaast mocht aanschuiven. Ik had geen menukaart gezien, maar op de tafel stonden een karaf wijn en een slaatje klaar. Er was mij in de bar reeds aangekondigd dat er in het hotel nog een andere Belg verbleef. Het was een man alleen. “Of hij bezwaar had”, vroeg ik en schoof aan.

In Sint-Gillis was hij opgegroeid, kind van een vrouw uit de Pyreneeën die in Brussel was blijven plakken. Hij herinnerde zich met enige pret, dat op elke vier hoeken van een kruispunt een kruidenierswinkel aanwezig was geweest. En dat die in een ware concurrentieslag verzeild waren. Altijd was een andere weer goedkoper.

Toen kwam de tweede wereldoorlog. Hij had het gewaagd een “pied de nez” – een lange neus – te maken naar een agent van het Duitse regime. Zijn moeder en hij moesten mee naar het politiekantoor. Zijn moeder werd terecht gewezen. Zij moest haar zoon beter opvoeden en haar excuses aanbieden. Schrik had hij gevoeld.

Pieds de nez

Onwillekeurig kwamen me de strips van Kwik en flupke voor de geest. Deze belhamels uit Brussel joegen agent 15 ook steevast op die manier op stang. Heeft Hergé zich door de realiteit laten inspireren?

quick2.jpg

Een lange neus maakt men door de duim tegen de neus te houden. De voet die hierdoor wordt gevormd symboliseert een oude lengtemaat en dus de afstand die er bestaat tussen de realiteit en de valse hoop die iemand heeft gekoesterd. Heb ik je daar even beet gehad. Leire, leire, leire…

Share