reus

De kolossale man naast mij leunt tegen mij aan. Ik begin wat ongemakkelijk te wrikkelen maar hij wil van geen wijken weten. Zijn dikke dijen duwen tegen de mijne. Ik kantel mezelf zoveel mogelijk naar de andere kant tot ik met al mijn gewicht op één bil zit. Hij blijft even wijdbeens zitten. Ik kan ruiken hoe onfris hij is en adem dan maar door mijn mond, tracht mij op iets anders te concentreren. Tevergeefs. Ik sta enkele haltes voor mijn stop zuchtend op. Dan liever rechtstaan. Net als ik me omdraai om hem een van mijn ‘viezerikblikken’ toe te werpen, zie ik dat zijn ogen bloeddoorlopen zijn en twee verschillende kanten op kijken. En dat de oude vrouw naast hem, zijn moeder neem ik aan, zorgvuldig zijn veters strikt. En dan zijn muts wat beter over zijn hoofd trekt.

Share
  • Met de complimenten aan Bie voor dit mooie en gevoelige stukje dat goed illustreert dat je bij de beoordeling van een situatie niet alleen rekening moet houden met uiterlijke verschijningsvormen, maar ook met de minder zichtbare of onzichtbare kanten ervan.

  • zwans

    verhaal doet mij denken aan de nieuwe trams 😉

  • tommy1975

    En dan vinden sommigen dat eten op de tram wel moet kunnen… (sorry, deze was erover)

  • Tom

    Met drie mensen op een rij. Dat is dus een 1B waar hij op zat!

  • bie

    ‘t was de 4!