Hoofddoeken

Je komt ze meestal tegen ‘s morgens, bij het prille ochtendgloren, vantijd hoor je de vogels zingen tussen donker en klaar.
Ze zeulen met zware kabassen en dragen vrijwel allen een sjaaltje, een hoofddoek zeg maar.
Het zijn madammen van ver boven de zestig, soms zelfs veel ouder.

Behalve hun herkomst, woonplaats, hun manier van overleven is ook hun leeftijd onbestemd.
Soms zit je er twintig jaar naast, eronder of erboven.
Vanwaar komen ze, waar staan ze, waar gaan ze heen ?
Misschien hebben ze wel een eigen parcours, een route, opgeslagen in hun geheugen dat ze haast blindelings volgen, maar ik twijfel eraan.
Zij laten zich veeleer leiden door het lot. Dan eens opzij, naar links of rechts, met een plotse rechtsomkeer, met veel zwenkingen, nooit rechtdoor. Altijd onderweg.

In hun kabassen zit een deel van hun verhaal. Daar zit veel rommel in, net als in hun hoofd.
Afval opgeraapt uit de riool, gevonden in vuilzakken en vuilnisbakken, of gewoon op straat.

Als je ze aanspreekt antwoorden ze vrijwel altijd. Meestal in een vlaams dialect, maar dan schakelen ze steevast over naar een brussels frans, ook al blijf ik doorgaan in hun moedertaal. Hun verhalen zijn onsamenhangend, wat had je gedacht.
Het gaat over vroeger, over de buren, over graag drinken en dat hun voisine Arabe dat maar niks vindt, maar ze het toch doen.

In hun tassen zit ook wat voer voor de katten en de duiven. Stel je voor dat die zouden verhongeren, dan liepen zij helemaal alleen op straat, het zijn hun enige vrienden.
Misschien de weinigen die zij spontaan aanspreken.
Van sommige weet ik de herkomst, van anderen kan ik het raden.

Ze hebben hun man tevroeg of telaat verloren.
Te vroeg, zodat ze ziek werden van verdriet, of telaat, omdat ze zo innig verstrengeld waren is met hun man ook een deel van henzelf afgestorven. Ze strompelen maar wat aan.
In seniorengroepen of dienstencentra worden ze spontaan uitgestoten, niet zozeer door de diensten maar eenvoudigweg omdat ze nergens in passen.
Soms zijn ze dienstmeisje geweest, zogenaamd huishoudpersoneel.
Lang geleden uit de Vlaanders in Brussel belandt en door hun huisbaas gedumpt, bij gebrek aan geld en onmachtig om zijn status hoog te houden, of gewoon omdat het huis uitstierf en personeel overbodig werd.
Waar moesten ze dan heen, van hun veertiende in Brussel gedropt, ze werkten zeven dagen op zeven, dan ben je ook een vreemde in je geboortedorp.
Een stiel hebben ze nooit geleerd, werken van negen tot vijf, het was hun onbekend, wat moest je met die overbodige tijd ?
Vluchten kon niet meer, ze hadden niet geweten waarnaartoe.
Zo geraakten ze stilaan verweesd en verdwaasd.

Straatmussen, ze geraken stilaan uitgestorven.
Maar niet in Brussel.

william deraedt, hetrijkderzinnekes.blogspot.com

Share