Halle bij Brussel

Opeens ontstaat er lichte paniek op onze afdeling. Een diensthoofd doet nerveus de ronde en vraagt bezorgd of iemand het telefoonnummer van Luc heeft. Ze mompelt iets van een treinongeval in Halle. De ernst van de feiten dringt nog niet tot mij door. Pas nadat ik mijn koffie heb uitgedronken, surf ik naar de nieuwssites en begrijp ik de ware toedracht. Luc neemt elke dag de trein in Edingen en is nog niet in Brussel aangekomen. Hij is te laat. Zou hij op de noodlottige trein zitten? Ken ik zelf nog mensen die uit dezelfde richting komen? Schrikbeelden doemen op, het bange afwachten begint.

Het enige wat mij te binnen schiet, is kijken of Luc op zijn Facebook-profiel  zijn gsm-nummer vermeld heeft. Inderdaad, ik stap met het nummer naar het diensthoofd. Het blijkt niet meer nodig te zijn. Luc heeft via een oud-collega die in hetzelfde gebouw werkt, laten weten dat hij op een andere trein zat, maar door de ramp moest overstappen op een vervangbus. Het  reguliere nummer van het werk had hij in zijn nieuwe gsm nog niet opgeslagen. Oef! Om 11 u komt hij aan, na nog een lange omzwerving met de trein. Hij vraagt zich al af hoe hij weer thuis geraakt.

 Even kwam een persoonlijke tragedie dichtbij, maar nu is het gevaar geweken. Aan tafel wordt in algemene termen geklaagd over de NMBS (” ’t Is altijd iets!”) en geponeerd dat er geen lessen getrokken zijn uit eerdere treinrampen.

 Om één uur krijg ik een sms’je van Rode Kruis Vlaanderen. Er is dringend nood aan bloed van de bloedgroepen A en O voor de slachtoffers van de treinramp. Ik erger me  aan de opdringerige boodschap. Het Waals-Brusselse Rode Kruis zou zoiets nooit doen. Maar ik bedenk dat ik met mijn O- wel in de doelgroep val. Om half zes besluit ik toch maar de bus naar het UZ in Jette te nemen. Wat geeft uiteindelijk de doorslag: solidariteit, nieuwsgierigheid of pure machteloosheid? Ik lees dat de dodentol van de catastrofe is opgelopen tot 18 personen. Halle bij Brussel is wereldnieuws.

 Bij mijn aanmelding  hoor ik dat er een overlevende van de ramp van Buizingen in het ziekenhuis is binnengebracht. Vijftien bloedzakjes waren nodig om zijn toestand te stabiliseren. Nog nooit heb ik zo veel mensen zien aanschuiven om bloed te geven. Mannen en vrouwen, jong en oud, doorgewinterde donoren en opvallend veel debutanten, ze staan allemaal te wachten op de dokterscontrole en komen met elkaar in gesprek. De tv wordt luider gezet als het journaal begint. Alle ogen zijn gericht op de verschrikkelijke beelden van twee verhaspelde treinen. Ook een dokter van het UZ in Jette komt aan het woord.

 Als ik na meer dan een uur wachten eindelijk bij de dokter ben, krijg ik te horen dat ik geen bloed mag geven. Mijn hemoglobinegehalte lag vorige keer aan de lage kant. Dus vandaag kan ik enkel laten testen of het aantal rode bloedcellen gestegen is. Over een week krijg ik uitsluitsel. Nadat een enthousiaste en vriendelijke jonge verpleger een staaltje heeft afgenomen (”Een quickie voor meneer!”) en ik aan verbaasde omstanders verteld heb waarom het bij mij zo snel ging, verlaat ik fluks het pand. Op weg naar huis, waar de nietsvermoedende kat op mijn komst wacht.

Share

AboutTom

Nieuwe Brusselaar met een passie voor taal, cultuur en journalistiek. Geboren in Sint-Niklaas. Studeerde Germaanse talen in Gent en woonde na zijn studie zes jaar in Berlijn. Houdt zich bezig met beleid en communicatie binnen de Vlaamse overheid en is journalist in bijberoep.

  • Mooi verteld. Ik kan het met zo inbeelden…maar jammer genoeg ook de bittere waarheid.

  • Ik kreeg vandaag een mail van vrienden uit Leipzig of alles goed met me ging. Ze hadden vernomen van het treinongeval nabij Brussel. En ik maar denken ‘ik ken niemand van uit die buurt’.

  • jonathan

    mooi geschreven!

  • Luc

    Mooi artikel, leuke blog.

  • Tom VB

    Ik kreeg ook een sms’je uit Berlijn met de vraag of ik gespaard gebleven was van het verschrikkelijke treinongeluk bij Brussel. Gelukkig wel, ja.

  • Pingback: Brusselblogt » Blog Archive » 2010: een terugblik()