Brussel-Londen-Brussel

“Can I help you sir ?” –

Ik sta gebogen over de glazen kast en bekijk een Krone vulpen, gelegen in een bedje van stro, die welgeteld 5000 pond kost.

De verkoper ziet in mij een potentiële koper, wat mij enigzins vleit, maar hij heeft zand in de ogen. Ik verkas naar een andere vulpen, een glanzende Mont Blanc van 9700 pond, die verkoper doet er het zwijgen toe. Als een Mont Blanc al 9700 pond kost, wat zal een Mount Everest dan wel niet kosten, ik mag er niet aan denken.

Ik bevind mij in het hart van Londen, in het sprookjespaleis Harrods van de bijna schoonpapa van Lady Di – wel vijf mensen hebben mij, by the way, in Hyde Park gevraagd naar de Memorial van Princess Diana : I bloody don’t care.

Alles blinkt in dit magnificent Palace. Parfumeuses spuiten, na het beleefd te hebben gevraagd, zomaar voor niks zoete geuren. Wat een weelde. In de Inno in de rue Neuve moet je jezelf bedienen, het is ook gratis, alleen staan er gorilla’s die kwajongens die het te bont maken in de Parfumerie terstond de deur wijzen.

Buiten op de stoep van Harrods veegt een sjofele manke Pakistaan het trottoir. Er zijn overigens zoveel Pakistani in Londen dat ik me afvraag of het UK geen deel was van Pakistan in plaats van omgekeerd.

Alle mensen die aan Metro Piccadilly worden uitgebraakt zijn hip of would-be hip. Geen enkele bolhoed, tenzij in combinatie met een hanekam en dan is het weer hip. Toch is Londen lang niet meer zo blits als toen ik hier voor het eerst kwam, begin jaren zeventig. Hoe verrukkelijk leek toen die stad voor een jongen uit de provincie, badges op revers, minirokjes en oorringetjes in mansoren : Swinging London. Wij lieten toen onze bakkebaarden groeien, en dat was er al over op het college.

Spreek mij niet tegen als ik beweer dat ik aan de Parvis kleurrijker vogels zie passeren. Maar als Brusselaar noopt Londen tot bescheidenheid, wat zou het.

Ik geniet van de Bozaars, de Jubelparken, de Wielsen en Mims van mijn stad, maar als ik in het British Museum verdwaal in het Grand Court weet ik dat wij een kleine stad zijn.

Een meisje en jongen kussen onafgebroken in het café. De Greece en Roman Empire kunnen hun gestolen worden. Zij hebben vlinders in de buik : dat is van alle tijden. Mesopotamië is the Past.

Ik geniet van de vrijpostigheid van de Perzische vrouwen die heel verleidelijk dansen voor het podium : zij vieren hun nieuwjaarsfeest in het museum. In hun land van herkomst zouden deze vrouwen hiervoor worden gestenigd. God bless this country dat ze hier vrouw mogen zijn.

Het Tate Modern, waar ik nooit was geweest, pakt mij helemaal in – het is zaak hier zorgvuldig te kiezen om geen indigestie op te lopen.

Op de trein terug naar Brussel praat een gezelschap honderduit over De Kampioenen. Over hoe blij ze zijn dat DDT weer in de ploeg zit, dat Fernand maar minnetjes was maar Xavier outstanding blijft. Niks ongewoons ware het niet dat de conversatie in het frans verloopt : I am back home – ik nader de stad die het surrealisme hartstochtelijk blijft omhelzen.

I like London but I love Brussels – om Arno te parafraseren : The Dirty Beauty.

hetrijkderzinnekes.blogspot.com

Share
  • Ja, Tate Modern, dat gebouw alleen al maakt indruk, he.