Zij kwamen van verre

Ze kwamen helemaal uit het verre Kortrijk, diep in de Vlaanders. Met veel verwachting en toch een zekere schroom  belandden ze in Brussel. Een deftig koppel van middelbare leeftijd, al 35 jaar niet meer hier geweest.

Ze waren op vakantie geweest naar Istambul en de Zwarte Zee en hadden veel goeds gehoord over de Chaussée d’Haecht, het zogeheten Klein Istambul van Brussel. Pittoreske restaurantjes en ambiance, volkse cafés, vriendelijke mensen,  dat wilden ze wel eens zien, ze wouden graag een el breien aan hun vakantie.
Zo arriveerden ze in het Noord, men wees hen de weg langs de achterkant, waar ze via de Aarschotstraat de Brabantstraat bereikten.
Ze waren al buiten asem, van de vuile vitrines en het gewoel in de rue Brabant. Er was daar niks anders dan goedkope winkels en veel brol en allemaal vreemden. Ze werden door alleman begluurd als waren ze marsmannetjes, in hun eigen hoofdstad notabene.
Via de chaos van de Place Liedts en de kronkelende straatjes met overjaarse hoeren waren ze uiteindelijk op de Haachtsesteenweg geraakt.
Daar was het braderie. Lawijt mijnheer ! En overal werd er vanalles op straat gebakken. Ook daar waren de mensen vuil. Er bleken alleen maar Turken te wonen in de Turkse wijk, die behalve Turks alleen maar Frans klapten.
Er waren veel restaurantjes en cafés, dat wel, maar het volk stond hen niet aan. Plots werden ze gevolgd door drie donkere mannen, die complotteerden met twee gasten die voor hen liepen. Een verlammende angst maakte zich van hen meester, nooit meegemaakt in het echte Istambul tussen de Blauwe Moskee en de Aya Sofia.
In allerijl zochten ze beschutting in een café en maakten zich nadien snel uit de voeten toen ze een agent opmerkten, die hen de weg toonde naar het centrum.
Via de Adolphe Max, de sexshops en goedkope cinema’s arriveerden ze op de Place de Brouckère, daar stootten ze op vunzige clochards die u vies bekeken als je niks in hun bekertje gooide.
Rap rap weg via het Centraal Station, madam is onderweg nog uitgegleden op een hondenstront.
Ze hadden het wel gehad. Ze kwamen vol verwachting, ze keerden met diepe verachting.

Dat ik daar kon wonen en ook nog werken, het leek onvoorstelbaar. Alle clichés op een hoopje geveegd op een zaterdagnamiddag en overduidelijk bevestigd.
Ik ben geen missionaris maar vertelde heel rustig één en ander over de stad. Nuchter, niet eufemistisch, maar wel met liefde voor mijn stad, over de gebreken en kwaliteiten, en de poëzie van de Gentsesteenweg, de Zuidmarkt, de Brabantstraat – maar ook over de parken, het Vossenplein, de Zavel, het Brugmannplein, de squares.

De toon werd nu heel vijandig : men kàn (lees mag) niet van zo’n stad houden, er moet iets mis met mij zijn, iets wat ik niet zie.
Men kan daar alleen maar wonen met het mes op de keel, of vanuit een onvermijdelijke verplichting van de werkgever.
De vrouw wist uiteindelijk waarom : op den duur went die vuiligheid, waarmee ze in één trek het zwerfvuil, de clochards en de vreemdelingen samenvatte.

Zoals ook Damiaan zich aanpaste aan de lepralijders door zelf melaats te worden. Dat was de reden waarom ik Brussel een aangename plek vond.

Ik ontmoette ze op een kraaknet terras op de markt van Kortrijk.
Brussel blijft een onbegrepen verhaal, wat mij betreft : wie komt is welkom, wie niet komt, hij blijve weg.
Wie de polsslag van deze stad niet voelt, hij mist veel.

meer over brussel : hetrijkderzinnekes.blogspot.com

Share