Dixit : men bekijkt uw afgedragen regenfrak

Brussel en zijn contrasten. De boulevards en de steegjes, het prachtige herenhuis en het vervallen krot, de hoogwaardigheidsbekleder en de clochard, ze bevinden zich nooit ver van elkaar. Het fotoboek Facing Brussels toont die variatie anno 2010. Maar welke auteur beschreef de bittere armoede en de decadente rijkdom in de hoofdstad onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog?

 Ondertussen is het nacht geworden en ge moet geen taxi vragen in de buurt van de porte Louise, want men bekijkt uw afgedragen regenfrak en uw sjaal en uw schoenen die scheef zijn van in Brussel rond te lopen. Men vraagt u eindeloos waar ge heen moet, en of ge wel weet wat het kost, en tenslotte: ze zijn bezet. Ze wachten naar de heren die uit hun clubs komen en ergens heen willen waar weeral niemand binnen mag, en waar de champagne 700 fr. de fles kost, en waar men de avond ervoor een kind binnengebracht heeft, dat in een danszaaltje aan het swingen was, of een verkoopstertje uit een Unipribas, en ze maken het kind dronken en smeren haar in met blink en doen haar boven op de piano dansen.

Het juiste antwoord is Louis Paul Boon. Het citaat komt uit Brussel, een oerwoud, een reportage in 23 afleveringen, die in 1946 verscheen in de communistische krant ‘De rode vaan’. Elke aflevering werd geïllustreerd met een tekening van Maurice Roggeman, Boons vriend en gids door Brussel. Ook voor de roman Vergeten Straat haalde de volksschrijver zijn inspiratie in Brussel. BrusselBlog wandelde eerder in het spoor van Boon.

Share

AboutTom

Nieuwe Brusselaar met een passie voor taal, cultuur en journalistiek. Geboren in Sint-Niklaas. Studeerde Germaanse talen in Gent en woonde na zijn studie zes jaar in Berlijn. Houdt zich bezig met beleid en communicatie binnen de Vlaamse overheid en is journalist in bijberoep.