Het rookkwartiertje

Een vlezige Hollander en een gezapige Vlaming roken op het trottoir aan de Wolvengracht. De ene heeft het over hoekskens, kussenkes en stoelenkes, de andere vindt alles sowieso leuk, geweldig, soms zelfs te gek joh !

De Nederlander slooft zich uit om zijn Belgische collega in het Vlaams terwille te zijn, de Vlaming wil per se gewéldig Noordnederlands ratelen.Zijn beide heren de komende anschlüss aan het voorbereiden en zijn ze een talenke aan het brouwen dat, godbeware ons, nooit mag worden gedronken in onze gewesten ?

Een derde collega s’approche, ene Robert. Alsof de bliksem heeft ingeslagen wordt er terstond van taalrol gewisseld. Robert echter antwoordt beide collegae in het – weliswaar gebrekkig – Nederlands. Het Frans van, laat ons het maar bij Kees houden, is doenbaar, maar met een schabouwelijk accent. De Vlaming spreekt keurig Frans, daarnietvan, maar Robert wil per se zijn Nederlands onderhouden.

De Hollander, van nature uit een praatgraag volk, voert het hoge woord. Hij vraagt hoe het gaat in zijn ‘déppartement’.“Koet,” zegt Robert, “maar de ‘luchtkoeling’ is ‘te zwaar’”.“Il veau le chignaler,” zegt Kees daarop. “Ik heb veel gevraagd, maar ze verstaan niet,” antwoordt Robert. Dat is te verstaan: hij heeft het vermoedelijk in het Nederlands gevraagd. De Vlaming luistert geamuseerd.

“Et Cherard, il est agrréable maintenant ?” vraagt Kees. Gerard blijkt de bureeloverste te zijn. Sous-chefs : meestal onaangename mensen. Een beetje zoals de lagere officieren in het leger, zich verrot schreeuwen omdat ze zelf schaamteloos worden vernederd door hun oversten. “Hij gaat,” antwoordt Robert. Dat is al iets, alhoewel ik op mijn vorig bureel liever had dat hij bleef zitten.

Wat later dooft Robert zijn sigaret. “Ik heb genoeg,” zegt hij en groet beide heren. Die zijn niet gehaast en steken nog een sigaretje op. Vrijwel onmiddellijk wordt Robert onderwerp van gesprek.

“Hij zal het nooit leren,” zegt Kees. “Hij moet het meer prakticeren,” merkt de Vlaming op.

Alle clichés op een hoopje :

Franstaligen krijgen niet de kans om Nederlands te spreken in Brussel, ze blijken bovendien workalcoholics. De Nederlandstaligen daarentegen weigeren hun taal te spreken in de hoofdstad, ze kunnen het vooral goed uitleggen, maar hebben een broertje dood aan werken.

Als België óoit verdampt vervliegt meteen ook zijn grootste kwaliteit : het heerlijke surrealisme. Ik hou hoe langer hoe meer van dit land.

meeroverditonderwerp : La Rentrée op hetrijkderzinnekes.blogspot.com

Share
  • Super stuk! Gottseidank zit er nog geen betweterige Duitser ertussen 😮