Fietsen in Brussel

 

Wat een mens al niet tegenkomt als fietser in Brussel. Al meer dan een decennium is de fiets hier mijn trouwe metgezel. Ik begon als een vreemde eend in de bijt, en kom steeds meer metgezellen tegen. Gelukkig maar. Maar waar ik als centrumbewoner me voornamelijk in het centrum bewoog, fiets ik nu dagelijks vanuit de Westrand tot het centrum. Een goeie zeven kilometer en twintig minuten later sta ik waar ik zijn moet in het centrum, en parkeer voor de deur. Handiger en sneller kan niet. En meestal is het zelfs nog een groot plezier. Maar de laatste tien dagen loopt het niet goed.

Een tiental dagen geleden. Maandagavond. Ik fiets rond achten terug centrumwaarts. Voor mijn woon-werkverkeer rijd ik nooit langs de Ninoofsesteenweg, maar ik ben al laat omdat ik moest wachten op de babysit, en bovendien is er nu toch minder verkeer, dus ik neem de steenweg tot vlak over de ring waar ik mijn parallelstraat (de Van Soust, aanrader voor ieder die van die richting komt) zal inslaan. Als ik daar raak: enkele honderden meters voor de ring staat een auto mijn fietspad volledig te blokkeren. Ik moet er ofwel de steenweg opduiken (nee), ofwel serieus manoeuvreren om een bocht te nemen, de auto en houten trottoirpaaltjes te ontwijken. Bon, ik ben een geoefend fietser en dat is nu niet echt een zwaar probleem, maar als ik langs de auto passeer bel ik twee keer en roep ‘piste cyclable’ (sja, op de openbare weg is Frans de voertaal…). Ware het niet dat er een testosteronbom in dat golfje zat. Honderd meter verder stel ik vast dat meneer het nodig vindt me plankgas te achtervolgen. Tot tweemaal toe probeert hij me van het fietspad en de weg te rijden; gelukkig zijn daar wat obstakels, verlichtingspalen, rode lichten en verhoogjes op het kruispunt met de ring. Ik fiets de ring over en vlak over de ring smijt meneer zich met z’n auto op het fietspad. Net op tijd gezien, snel achteromgekeken, de auto op de eerste rijstrook blijft nog wat achter dus ik rij met een groot gebaar (om zichtbaar te zijn) en wijde bocht langs de auto. Maestro stapt woedend uit maar kan me net niet raken, ik rij net ver genoeg voorbij. De auto achter me ziet alles (had het waarschijnlijk al eerder gezien, van voor we de ring overstaken) en laat me ruimte. Woeps, twintig meter verder staat een politiewagen met een agente erin. Ik stop erlangs en spreek ‘m aan terwijl Mister Golf erbij komt en blijft schelden en roepen. Hallooooo? De politie-agente stuurt meneer terug naar zijn eigen territorium, z’n dierbaar Golfje, laat me wat bedaren en vraagt of ik klacht wil indienen. Klacht indienen tegen zo iemand? Straks komt ie aan m’n deur met z’n vriendjes… laat maar. ’t Zou waarschijnlijk toch niets uithalen. De agente raadt me aan door te rijden, ze zal de agressor een tiental minuten zoethouden. Dju, tien minuten, ik moet wel nog tot het centrum, straks kruist ie me nog aan de Ninoofsepoort denk ik. Ik rij zoveel mogelijk parallel, hou m’n hart vast als ik aan het Weststation wel even op de steenweg moet rijden, en duik dan snel een alternatieve route in. Geen enkel golfje meer gekruist…

Deze maandag. Ik fiets huiswaarts. Tweemaal wordt ik vlak voor een kruispunt ingehaald en de pas afgesneden. Tweemaal op één kilometer. De eerste keer als ik bijna aan de Berchemstraat ben, vlakbij het kerkhof van Sint-Agatha-Berchem, en het gros van het verkeer naar rechts indraait. Ik ook, de auto’s voor me ook, maar zo ook de blonde krullendame in een blauwe Citroen C3. (Je ziet, het zijn zelfs niet altijd de dikste auto’s die onze grootste vijand zijn). Onmogelijk me niet gezien te hebben: fluojasje, en bovendien moest ze uitwijken om me voorbij te steken en daarna onmiddellijk de bocht in te duiken. Ik moest stoppen of ik was minstens een voorwiel armer en een aantal pijnlijke ledematen rijker. Mevrouw rijdt gewoon door. Tuurlijk, niets aan de hand. Een kilometer later hetzelfde: vlak voor een rondpunt me nog voorsteken waardoor ik het rondpunt niet kan oprijden en over de graskant moet hotsen. Een grotere, zwarte auto deze keer. (Oei, weer een vrouw).

Maandagavond. Ik zak nog eens naar het centrum af. (Meteen ontkracht ik de idee dat mensen die in de rand wonen en kinderen hebben Brussel de rug toekeren en alleen nog gebruiken om te gaan werken, ik blijf een Brusselaar waarvan het huis toevallig op vijfhonderd meter van de gewestgrens met Anderlecht staat). Opnieuw een kilometer steenweg om dan de Van Soust in te duiken. Vlak voor het kruispunt met de Van Soust, het eerste straatje na de ring dat ik rechts induik, staat een auto mijn fietspad volledig te blokkeren. Da’s één van de vele redenen om de Ninoofsesteenweg tussen de Mettewie en de ring te vermijden: dat fietspad ligt er ellendig slecht bij en dient meestal op heel het parcours als parkeerplaats. Deze keer zit er niemand in de auto, dus bellen doe ik niet. Opnieuw de keuze: voetpad jumpen of steenweg opvliegen? Voetpad is het veiligst, en vijf meter verder kan ik mijn straatje inslaan. Waar een wit autootje geparkeerd staat, vlak in de bocht. Ook niet regulier dus, ze moeten er aan de andere kant parkeren in die straat en je moet een kruispunt vrijhouden. Maar bon, ik kan verder rijden. O, het is een wit politieautootje met een agent erin! Ik stop erlangs en doe ‘m teken dat die andere auto daar wel heel mooi geparkeerd staat, zo helemaal het fietspad blokkeren (dat meneer agent zelf ook niet goed staat, daar zwijg ik wijselijk over). De agent vindt het niet eens de moeite zijn ruitje naar beneden te doen om een dialoog op te starten en doet me zo teken van “och jong, wat kan ik daar nu aan doen?”. Hallo? Een vette bekeuring geven, wegens grote overtreding? Laten wegslepen? Ik spreek m’n gedachten niet uit, ik wil tenslotte op tijd zijn voor Richard Thompson in de AB, maar denk: als het zelfs de flikken al geen reet kan schelen…

Donderdagochtend. Joepie, ik ben in laag-Molenbeek. Altijd alles scherp houden. Hertogin van Brabantplein, bijna aan de Ninoofsepoort. Een rondpunt! Altijd een belevenis. Zeker als het gros altijd braaf het parcours Ninoofsesteenweg-Ninoofsesteenweg volgt en je dat zelf niet doet. Ik moet een straatje verder zijn, en blijf dus net als een auto voor me op het rondpunt. Komt een camion van de Ninoofsesteenweg zomaar het rondpunt opgereden, moeten zowel de auto als ik in de remmen. Ik roep ‘m na dat wij voorrang hadden, niet hij. Meneer vindt er niets beter op dan midden op de rotonde te stoppen, woedend uit z’n camion te komen en naar me toe te lopen. Ik stop twintig meter verder, vlakbij de bushalte waar toch een vijftiental mensen samentroepen. Hij roept naar me “dégager”, maar ik laat me niet zomaar afschepen als ik in m’n recht ben. Bovendien kan ik nog altijd wegfietsen moest hij toch onnozel doen, ik fiets zo te zien véél sneller dan hij kan lopen met z’n postuur. Maar: de mensen die op de bus staan te wachten voelen zich genetisch meer verwant met de chauffeur dan met mij. Dilemma: blijven of wegfietsen? Ik ben koppig. Ik blijf. Hij komt dichter, ik leg ‘m nog eens uit dat wij op de rotonde waren, hij niet, en dat wij bijgevolg voorrang hadden. Hij blijft woedend, aarrzelt even (zou hij ook twijfelen of het publiek mijn of zijn kant zou kiezen indien nodig?), geeft me een kleine duw tegen de schouder en gaat terug naar z’n camion die de rotonde volledig blokkeert. Allez circuler! Ik rij maar door, want twijfel nog altijd of mijn publiek mijn correctheid wel apprecieert.

Dit was een beetje teveel op korte tijd. Soms rij ik weken zonder stoten, maar mister Golf en meneer camion waren er me wel wat teveel aan. En die onverschilligheid van de tweede agent die ik aansprak. Zou ik morgen voor eens de bus nemen? Nee, tuurlijk niet, ik hou niet van bussen en blijf liever een vrije vogel op twee wielen. Maar nu graag even braaf zijn, mede-stadsgenoten of bezoekers die me al rijdend tegenkomen…

Jullie fietsvogel, Pascal Vdl

Share