Brussel-Asse

Danny is 84. Hij rijdt graag met de trein, maar nog liever per koets- een schoen voiture. Met meer dan vijftig jaar ervaring als taxichauffeur in Brussel heeft hij zowel de stad als haar bewoners enorm zien veranderen. ‘Mensen eten vandaag precies aggressiviteit als ontbijt in plaats van bokes.’

‘In al die jaren heb ik maar twee keer ambras gehad met klanten. Een vent die niet wou betalen, probeerde met zijn vuist op mij te meppen. Ik heb hem uiteindelijk uit de voiture gekregen. Nu zijn er veel meer accidenten; de chauffeurs rijden planché en stoempen elkaar in het decor. Ik reed altijd en douceur en de klanten appreciëren dat.’

‘Als taxichauffeur moest ge de stad door en door kennen. Vroeg ge mij een straat; ik bracht er u direct naartoe. Ik werkte twaalf uur per dag – liefst ‘s nachts, want dan was de verdiening beter. Als meneer thuis moet zijn om madam content te houden, betaalt hij al eens wat extra. Drinkgeld was de basis van ons salaris. Klant is koning, da’s een kwestie van gentilesse. Gelijk als in veel beroepen moet ge veel mensenkennis hebben en discreet zijn. Als ge gestationeerd staat aan een hotel de passe moet ge niet onthouden wie er buiten komt. Sommige klanten houden het bij goeiendag en merci. Anderen worden kameraden of gebruiken mij als soit disant chauffeur privé voor ene journée. Voor sommigen is de taxi een biechtstoel.’

‘De schoonste wijken in Brussel vind ik Elsene en Oudergem. Propere straten, schone huizen. Het centrum is veel veranderd. Nu moet ik vragen: “Waar is de Grand Place?” Al die nieuwe batimenten en straten maken de stad minder mooi. Ze kijken te veel naar New York en al die bazaar: zo’n stad vol kubussen, bweirk, das toch ni schoen?’

Als we afscheid nemen, vraagt Danny een ‘autographe.’ ‘Voor als gij een bekende journaliste zijt he masken.’ Er is nog hoop.

Lees meer treinverhalen op http://stationsroman.blogspot.com

Share