Over Vlaamse leeuwen, papieren irissen en een glas perziksap

Opvallend weinig activisme op de Vlaamse feestdag in onze hoofdstad, dacht ik toen ik na twee uur wandelen door Brussel de eerste geelzwarte vlag zag wapperen. Niet dat ik een rasechte flamingant ben, maar voelde ik daar een tikkeltje teleurstelling? Vanop de trein had ik zeker een vijftal leeuwen gespot, bevestigd aan verroeste luifels van illegaal bijgebouwde verandaatjes van het soort dat je enkel ziet als je de kont van de Vlaamse huizen bespioneert door een intercitytrein te nemen. En in Brussel geen haan die kraaide om 11 juli. Alleen een verwaaide Jean Blaute die zijn accordeon de sporen gaf in het midden van de Grote Markt.

Het voorval vergat ik echter toen we in De Skieven Architek gingen lunchen: typisch Brussels eten en bediend met de beleefdheid van weleer. Dat meer dan de helft van de kaart, waaronder zuurkool, konijn met pruimen en nog enkele Belgische recepten, niet meer te verkrijgen was – we hebben het gisteren zó druk gehad, meneer, u houdt het niet voor mogelijk – was snel vergeven omdat de ober het vloeiend in beide landstalen aan de man had gebracht. Na de lunch wilden we het bouwwerk van de ‘scheve architect’ even aandoen, want er was – naast vele rechtszaken – een kunstwerk hangende!

Het plafond van de ‘salle des pas perdus’ in het Justitiepaleis verschool zich bescheiden achter een wirwar van rode draden, waar witte papieren bloemen aan bevestigd waren, origamikunst van de gevangenen van Sint-Gillis. Op zich al een huzarenstukje om het werk aan te brengen, maar nog meer de moeite waard als je de symboliek ervan las. Geïnspireerd door de draad van Ariadne en bekommerd om het Belgische gevangeniswezen en het juridische kluwen, bracht Charles Kaisin een prachtig meesterwerk ten tonele in de Grote Wandelzaal. Voor de liefhebbers van cijfers: de zaal is momenteel behangen met ruim 5 kilometer rode koord en exact 10.000 papieren irissen, door gedetineerden uit oude strafwetboeken gevouwen gedurende 2.000 plooiuren.

Toen we in een café op een hoek van de Grote Markt gingen drinken, werd ik opnieuw leeuw. En geen klein beetje. Als je als kelner in de Europese hoofdstad staat te paraderen, mag je het Nederlands echt wel machtig zijn. Je mag het eens te meer als die hoofdstad op zich al een tweetalig statuut heeft. En al ken je geen woord, leer dan gewoon je twee pagina’s tellende drankkaart uit het hoofd! Om een punthoofd van te krijgen, die koppigheid. Veel zin om mijn verfrissende glas perziksap -quoi? perziksap; pardon? perziksap; quoi? JUS DE PÊCHE!! aaah, jus de pêche!- in haar Cruella de Vil-gezicht te gooien! Soms, heel soms, denk ik dat de  Franstaligen echt geen moeite doen! En dan maar klagen over de Vlamingen, die hen overspoelen met faciliteiten, hoewel dat strikt feitelijk gezien helemaal niet moet. Wat een dagje Brussel al niet kan teweegbrengen.

Bert De Kerpel, student

Share