Herinneringen aan Brussel deel 3: de grote sprong

1998-1999-2000. De jaren van de sprong, de zoektocht naar werk, naar een woonst, naar een zelfstandig leven. Mooie jaren vol leuke herinneringen. Jaren van vrijheid, zoeken en vloeken, maar ook vreugde en nieuwe wegen.

Afgestudeerd. En nu? Geen zin in conventionele jobs, heel wat sollicitaties waar iemand met ervaring boven een fris studentje verkozen wordt. Dan maar op zoek naar overlevingskansen. Jawel: leraar Nederlands in zo’n privé-talenschool, in een nep-zelfstandigenstatuut. Een plek voor gelijkgestemde mensen, die geen gewone kantoorjob wilden, maar voldoende vrijheid verkozen boven een saaie beginnerskantoorjob. Eventjes daarvoor gependeld van de zee tot Brussel, maar snel de knoop doorgehakt dat enerzijds weer in het ouderlijk huis wonen niet was wat ik nodig had, anderzijds dat Brussel de meest logische vestigingsplaats leek. Als ik deftig werk zou vinden, zou het toch of in Brussel, Antwerpen of Gent zijn, en beide laatste zijn toch vlot bereikbaar per trein vanuit Brussel. Gelukkig heb ik nooit hoeven pendelen, en ga al meer dan een decennium te voet of met de fiets naar het werk.

Dus: op zoek naar een woonst. Tussen Kerstmis en Nieuwjaar Brussel ingedoken, gelogeerd bij een kennis, en enkele dagen appartementen en studio’s bezocht. Op den duur wist ik niet meer waar ik juist was, maar op het einde van de tweede dag had ik wel een leuk en betaalbaar appartement gevonden, op de hoek van de Papenvest en de Ooievaarsstraat. Een gezellig dakappartement, ideaal voor iemand die graag met z’n hoofd in de wolken loopt.

Enkele dagen na Nieuwjaar verhuisd. De inrichting van het appartement volledig geïmproviseerd (toen IKEA nog niet zo wijdverspreid was): een bureau was een plank op twee schragen, één boekenkast van thuis meegenomen, één in elkaar getimmerd, een bed, een kleerkast, een keukentafeltje en een werkloze zetel van thuis. Met minimale middelen wat persoonlijker gemaakt: kartonnen dozen met een doek over werden een scheidingsmuur die de schragen van de bureautafel aan het zicht onttrokken; versiering maakte ik door leuke postkaartjes aan een touwtje in de nok te hangen. Een spiegel voor de badkamer gaan halen op de Vossenmarkt; die te voet tot thuis gedragen. Man, dat woog en sneed in mijn handen… maar ik had een grote spiegel voor 100 frank of zo.

Mijn communiefiets, die verhuisde ook mee. Altijd een fietser geweest, en ik verdiende in die tijd zo weinig dat ik wel moest fietsen als ik me wilde verplaatsen. Een boekje gekocht met thematische fietsroutes door Brussel, en zo gaandeweg Brussel en de omliggende gemeentes verkend. Mijn vrije tijd (en dat was heel wat, vermits ik te weinig les gaf, alleen woonde en niet echt mensen kende in Brussel) vulde ik met lezen, lezen, wat schrijven, lezen én bezoekjes aan het Filmmuseum.

Ook toen had het Filmmuseum twee zalen: ééntje voor een dertigtal mensen waar de stille films begeleid werden op piano, en de grotere zaal. Twee donkere zalen waar de geur door gebrek aan ventilatie bij momenten niet te harden was, zeker als het warm was buiten. Het filmmuseum werd mijn tweede living. Als cinefiel ging ik er dikwijls tot tweemaal per week, zowel om films uit de canon van de filmgeschiedenis te zien, als om films te ontdekken waar ik wel al over gelezen had maar nog geen glimp van gezien had. Toen publiceerde het Filmmuseum zijn maandelijks programma nog op een minuscuul vouwblaadje, dat je voor 20 frank uit een soort sjiekenbak kan halen aan de ingang. Het maandprogramma zat dan opgevouwd in een kartonnen omhulsel de grootte van een luciferdoosje.

Eens het nieuwe maandprogramma er was, doorliep ik de piepkleine lettertjes en kocht op voorhand tickets – 60 frank voor een film op groot scherm. Ik zag er zowat de hele canon van de Europese film, van Godard over Bertolucci of De Sica tot Tarkovsky of Wenders, en heel wat andere films die net buiten het breedbekende klassieke canon vallen: Miklos Jancso, Paradjanov, heel wat Tsjechische New Wave, teveel om op te noemen. Ergens heb ik wel nog een stapel van alle ticketjes liggen met de film en regisseur op de achterkant geschreven. Je zag er dikwijls dezelfde gezichten terug, maar het Filmmuseum was toen vooral een plek waar je binnen ging om de film te zien en daarna weer naar huis – gezellig pleisteren was het niet in de kelder.

Een ouderlijk geschenkje voor de grote stap in de zelfstandigheid van een cinefiel was een tv en een vhs-recorder. Een maal per week ging ik een programmablaadje halen, zocht naar interessante films, nam die op en nam die ook tot mij. Ik ging VHS-cassettes kopen per pak van 10, voor circa 1.000 frank!Twee films per cassette – de verzameling groeide snel aan. Op het einde van mijn VHS-tijdperk zat ik aan meer dan 300 cassettes, die ik wel nog liggen heb maar slechts zelden nog hanteer…

Een andere passie die in die eerste jaren tot de groei van een verzameling leidde, was muziek. Toen nog voornamelijk beperkt tot de betere rock en pop van de jaren ’60-’70, hedendaagse rock en singer-songwriters en barokmuziek. Voor de backcatalogue van de jaren ’60-’70 waren het zalige tijden: voor 100 frank vond je vinyl van Bob Dylan, The Beatles, Jackson Browne, Neil Young, noem maar op. Dingen die ik ooit uit de bibliotheek op een cassette gezet had, werden beetje per beetje vervangen door vinyl. Gouden tijden. Tegenwoordig moet je al snel 15 euro neertellen voor een tweedehands vinylplaat… De meest gefrequenteerde plekken waren de Pêle Mêle en die platenzaak aan Manneken Pis. Voor nieuwe cd’s had ik te weinig centen, tweedehands vinyl kon ik met hopen kopen. Zes platen of één cd? Dan was de keuze snel gemaakt. En sinds ik een jaar geleden een echt goede platendraaier op de kop getikt heb, klinkt dat vinyl beter dan ooit tevoren.

Wat literatuur en boeken betreft, was het armoe troef. Er was een Nederlandstalige zaak vlakbij de vismarkt, maar die sloot na enkele maanden van mijn Brusselbestaan, en er viel een hiaat tot het Ivoren Aapje aan de horizon verscheen. Op het geliefde Begijnhofplein dan nog wel. Het terras in de zomer van het enige café op het plein was al snel mijn favoriete plek geworden. Het café is sindsdien een tijd dichtgeweest, is nu weer actief, maar is niet meer dat gewone banale café met vriendelijke baas van toen, met visaquarium op de toog. Een ander favoriet plekje was het parkje aan het Hiltonhotel, dat toen nog niet gerenoveerd was en niet ingenomen door een hippe cafetaria, maar met een bouwvallig paviljoen. Maar bon, ik was bij het Ivoren Aapje. Wat een verschijning! Toffe boeken, mooie literatuur, en de sfeer van letterwreters in de winkel. De eigenaar zat toen net als nu nog dikwijls te lezen, zich quasi niet bewust van de aanwezigheid van rustig rondneuzende klanten in zijn zaak. Het werd een plek die pakweg tweewekelijks bezocht werd, op zoek naar vers leesvoer dat eveneens een aanwinst zou zijn voor de eigen boekenkast. Mijn stapel boeken neemt enkel toe, maar nog altijd is het aandeel ivoren-aapjeboeken vrij groot. Toch was en is mijn vreugde groot dat we nu ook de Passa Porta bookshop hebben.

Met heel die oogst aan boeken, vinyl en films achter de ogen, keerde ik steevast terug naar de Ooievaarsstraat. Vrienden die een jaar langer in Leuven bleven plakken, kwamen regelmatig op bezoek, en mijn twee beste vrienden maakten daarna ook de overstap naar Brussel. Ze wonen er ook nog steeds. Maar de Ooievaarsstraat had nog enkele bijzondere dingen: een verscholen tuin, en een autoloos straatje waar bij mooi weer velen gewoon een stoel op straat zetten om te palaveren, een koffie of een pint te drinken of te delen. De tuin was een geheim voor de ingewijden, je kreeg de sleutel van Claude, een bluesgitarist, en langs een smal gangetje kwam je in een verwilderde tuin met een aantal grote bomen, struikgewas en wat wild gras terecht. Een oase, ingeplant tussen huizen en appartementen. In 2000-2001 werd de tuin opgeslorpt door de nieuwbouw van een appartementsgebouw in de Papenvest, maar tot dan toe was het een geheim plekje waar ik enkele bloemen zaaide en dikwijls een boekje ging lezen. En op straat deelden we verhalen over van alles en nog wat, wisselden tips uit, vertelden wie we waren, wat we wilden, etc. Eén van de gouden tips die ik toen opgeraapt heb, is de kaaswinkel Cathérine, tegenover het politiekantoor in de Zuidstraat. De beste kaaswinkel van Brussel, en zowel Cathérine als haar dikwijls mopperende moeder (die toch al rond de 80 moet zijn) weten echt wel wat ze verkopen.

Wie nu door de Ooievaarsstraat of de buurt tussen Nieuwe Graanmarkt en kanaal loopt, ziet echt wel een andere wereld: de grens van de gentrificatie bevond zich in de jaren ’99-’00 duidelijk nog meer richting Oude Graanmarkt – Dansaert tot aan de Nieuwe Graanmarkt; de hippe winkels en cafés die zich nu in dat tweede stuk van de Dansaert bevinden, waren er toen nog niet. Maar de Ooievaarsstraat had iets bijzonders, het was bij mooi weer een klein mini-universum in een grootstad.

De volgende sprong speelde zich af rond de opening van Brussel 2000. Afspraak voor de volgende aflevering!

Share
  • Tom

    Is er eigenlijk veel veranderd aan het Filmmuseum nu het Cinematek heet? Ben er nog niet geweest sinds de naamsverandering. Herinner me dat ik daar ooit een stille film gezien heb met pianobegeleiding en een prent van Fritz Lang uit zijn Amerikaanse periode. Plan al geruime tijdje een nieuw bezoekje…