Baby let me follow you down

Ze kent Bob Dylan niet, poetst telefoons bij Mobistar en gokmachines in een casino dat ik niet ken. “En gij kent dat niet? Ze maken daar toch reclame over op den tv, allez?”. Bob Dylan versus casino:1-1, we zijn aan elkaar gewaagd. Ik kijk naar mijn mp3-speler alsof ik er van verwacht dat hij me aangeeft dat ik beter blijf luisteren naar ‘Blood on the tracks’  of dat ik deze treinconversatie gewoon moet aangaan en dat de reden daarvoor mij nog wel duidelijk zal worden.

Ik had namelijk in Antwerpen-Berchem een vertrouwde trein naar Brussel genomen. Het leek trouwens alsof ik de enige was. De hele trein was leeg, niemand te zien. Ik legde mijn voeten op het tafeltje in het midden van een vierzits en ik besloot kerstdag te eindigen met Bob Dylan, die mij er altijd weer aan herinnert dat ik niet mag vergeten onder de sterrenhemel te dansen – ‘with one hand waving free’. En dat als je goed luistert, de antwoorden op je vragen in het waaien van de wind oplaaien. Hij geeft me altijd moed en het gevoel dat ik op mijn eentje de wereld kan doorstaan.

Toen stapte zij op in Mechelen. Ze was zijdelings op haar zetel gaan zitten alsof mijn leven een film was – bij wijlen – en ze op de eerste rij wilde zitten. Ondeugend had ze me aangekeken. Plots was  ze beginnen giechelen en krolde ze zich op als een kat tegen de zetel. Haar haar kreeg elektriciteit van de wrijving van haar vlijende bewegingen. Ik had de mp3-speler uit mijn oren gehaald en hoorde: “Het is precies goeie muziek. Uw kop gaat zo heen en weer”. “Bob Dylan”, had ik samenzweerderig gezegd. Maar ze kende hem niet. Ik liet haar even luisteren. “Dat is niet van mijnen tijd”, had ze gezegd. En dat ik nog een jong ding ben en dat ik daarom Bob Dylan ken. En dat zij Miranda heet en van ’69 is. (tiens, toen had Bob Dylan al een ‘Greatest Hits’ uit… maar oké.).

De display van mijn mp3-speler geeft aan dat inmiddels het volgende lied beginnen te spelen is. “Don’t think twice, it’s alright’”. Ik neem het advies aan, besluit volledig volgens mijn natuur de treinconversatie aan te gaan en kijk naar de onbekende vrouw die nog steeds naar me lonkt. “Dus gij kent dat casino niet? Ik vind het leuk om te poetsen. Het is rustig en er zit niemand achter mijn gat”. Plots laat een felblonde kerel zich op de zitbanken achter haar gat glijden.

“Jij bent van ’69, Miranda. Ik ben Bert, van ’73. En jij bent van ’86, ik voel dat aan”, zegt hij met zijn wijsvinger op mij gericht. Hij gokt juist. Hij zegt dat ik in juni geboren ben. Hij zit dichtbij, ik verjaar in mei. Hij zegt dat ik een Tsjernobylkind ben. En dat mijn huid wel nog jong en effen is en dat vast meer mensen mij dat vertellen. En dat hij op de dag van mijn verjaardag verliefd werd op een panda. Op een Fiat Panda. En de dag dat ik tien werd, op Miss België die net verkozen was. Zijn geheugen lijkt ontzettend groot en helder. Hij prevelt vervolgens nog een tijdje over dagen en over missen en staart voor zich uit – hij ziet ze waarschijnlijk één voor één terug op zijn netvlies passeren.

Ik vraag hem of hij zich graag met astrologie bezighoudt en of hij daarom mensen hun geboortejaar en sterrenbeeld kan raden. Ik heb eens een lief gehad. Ja. En zij zat er wel vaker boenk op. En dit keer bedoel ik daarmee dat zij wanneer ze nieuwe mensen ontmoette, na een tijdje hun gedrag te observeren, kon aanvoelen wat hun sterrenbeeld was. Ik vraag me af hoe zij gisteren kerstavond doorgebracht heeft… Enfin soit, Bert antwoordt mysterieus dat hij graag met tijd bezig is en hij staart opnieuw voor zich uit. Miranda vraagt hem of hij kan berekenen op welke dag ze verjaart. Ze zegt me dat het op een maandag was. Jah. Natuurlijk zegt Bert na een staaltje concentratie dat ze op een maandag geboren is. Converteert hij echt verjaardagen à la carte? Hij is intelligent, maar hij de echte test zal hem liggen in het raden van mijn geboortedag. Na duizend verbindingen in zijn hersenen waarbij hij een logboek leek te doorbladeren in zijn hoofd, meldt hij dat 10 mei een zaterdag geweest moet zijn.

Miranda moet blijkbaar wat kwijt, aangelengd door de jenevers die ze de hele namiddag dronk. Ze vertelt dat ze haar dochter heeft gehaald in de GB. Mijn effen huid frommelt op, ik begrijp er niets van – van deze hele conversatie niet. “Amai, wat een kop, Jill. Ja, op een kwartier persen was ze er uit. Ik heb haar in de GB in ‘de reclam’ gekocht, he. Hare papa, mijn ex, die woont in Mechelen. Ik kom juist van bij hem. We komen juist terug goed overeen, seg”. Ik kan er mij iets bij voorstellen… dat hìj achter haar gat zit, dat vindt ze dan wél leuk. “Maar er is nog een man bij wie ik soms slaap hoor. Ik zal wel zien”. Niet vergeten dat Bert ook nog altijd achter haar gat zit: “Ja, je zal wel zien. En jij moet nog zo ver vanavond, helemaal alleen naar de zee. Zal ik meekomen?”, pikt hij in. Een imperfecte imitatie van Bobs’ ‘Baby, let me follow you down’ man, heb ik als binnenpretje.

Hij weet mijn glimlach en Miranda’s gechoqueerde blik niet goed te plaatsen. Hij raakt in paniek en begint heen en weer te wiegen. Opnieuw staart hij ons minutenlang aan. Miranda zoekt mijn ogen en bescherming en ik, ik kan haar niet geruststellen. Ik besef dat ik weer in een ‘opmerkelijke’ situatie terechtgekomen ben en ik vergewis mezelf ervan dat ik hier rustiger op reageer dan anders. ‘t Is te zeggen, met een groter ‘none of my business’-gehalte. Mijn medemens zoekt mij en ik, ik trek mijn grenzen. Elke grens groeit een millimeter meer aan mijn eerste rimpel. Ik voel mezelf volwassener worden these days. Daar gaat die effen huid…

Zonder enig besef van de prikkels uit zijn omgeving stelt Bert doodleuk voor om ‘e-mailadresjes te verzamelen’ en elkaar te schrijven over onze gedeelde ervaringen. Zijn waarnemingen lijken uit losse fragmenten zonder samenhang te bestaan. Het lijkt alsof hij de buitenwereld controleerbaar wil maken via zijn keuze voor onderwerpen. De nacht voor mijn examen psychologie flitst door mijn hoofd. Doorlopende koffie, notities op ruitjespapier en een knoert van een cursus met op pagina 295 de kenmerken van autisme. Bert verzekert ons ervan dat hij dat nog doet met mensen, e-mailen. En dat ze hem soms ook terugschrijven. Toch efkes twee keer nadenken. Zelfs in de barmhartige sfeer die rond kerst hangt, weer ik dit aanbod af. “Waarom niet?”, vraagt hij misnoegd. Miranda kijkt me aan met ogen die hopen dat ik een sociaal wenselijk antwoord zal geven. Ik doe al genoeg aan solidariteit, wil ik zeggen en draai mijn tong tien keer om.

Nous arrivons à Bruxelles-Midi. “Ben je zeker dat ik niet moet meekomen naar bij u thuis”, probeert Bert nog, onbestemd. Ik zeg gedag ‘with one hand waving free’ en verlaat de wagon van het kerstverhaal over de autist, de dolle poetsvrouw en het jong ding dat net zo min als Bob Dylan sociaal wenselijk kan zijn.

Als ik thuiskom vraag ik in een sms aan mijn moeder op welke dag ik ben geboren. Op een zaterdag, zo blijkt. Hij had dus toch gelijk. “Tijdens een hevig onweer”, stuurt ze me nog in een tweede berichtje. Zou Bert a.k.a Rain Man dat ook geweten hebben?

Share

AboutJill

Is 27. Reisde al van kleins af aan mee met haar vader naar de grote hoofdstad om verse basilicum te halen achter de Vismarkt, vlees aan de Abattoir, champignons bij Champigros, garnalen bij Mer du Nord en leerde zo de stad en de binnenwegjes kennen. De puzzel viel voor haar in elkaar toen ze vanboven op Parking 58 het zicht zag en toen snapte ze het: deze stad is ongelooflijk… ik wil over alles wat ik zie schrijven.