Didden goes Brussels

Het zal niet aan Marc Didden gelegen hebben als Brussel nog steeds de reputatie heeft van een lelijke, gevaarlijke en oninteressante stad. In zijn geestige en charmante causerie Een gehucht in een moeras roept hij de lezer uitdrukkelijk op om zelf op verkenning te gaan, want enkel wie de stad kent, leert haar lief te hebben.

In 20 hoofdstukken doorkruist de 64-jarige schrijver het Brussels Gewest, van centrale buurten tot de periferie. Zijn standpunt is dat van de enthousiaste flaneur en verteller. Hij slentert door de straten en pleinen, bezoekt parken en musea, staat stil bij mensen en plaatsen. Zijn kennis deelt hij graag met zijn toehoorders. Zo weet hij dat de Aarschotstraat aan de achterkant van het Noordstation in de volksmond spoor 13 wordt genoemd, dat er elke woensdag op het Kasteleinsplein een delicatessenmarkt wordt gehouden en dat er in het Erasmushuis een rustgevende sfeer hangt. Een deel van zijn inzichten haalt hij uit gereconstrueerde gesprekken met twee Brusselse vrienden: journalist Guido Fonteyn en culinair publicist Dirk De Prins.

Voor Brusselaars is zijn lied van liefde en haat vaak een feest van herkenning. Didden beschrijft mooi het gevoel van walging dat je overvalt bij het betreden van de metrohalte Zuidstation, “een waar voorgeborchte van de hel, waar dronken messenvechters en stonede schurken de modale gebruiker van het openbare vervoer bij volle neonlicht de stuipen op het lijf mogen jagen.” Hij klaagt de “stamhoofden” van Brussel, Anderlecht en Sint-Gillis aan, die het probleem niet aanpakken en elkaar de schuld geven.

Hij wijst er bovendien terecht op dat de Dansaertwijk, waar hij woont, meer dan 150 bevolkingsgroepen telt en dus bezwaarlijk een Vlaamse buurt genoemd kan worden. Vlamingen laten zich vaak neerbuigend uit over hun hoofdstad, daarbij niet gehinderd door kennis van zaken. De charme en de gesel van Brussel is dat niets er werkt. Je hebt een code nodig om het geheim van de stad te ontcijferen, maar je bent er in principe altijd welkom, waar je ook vandaan komt.

Ondanks de bovenstaande rake observaties wordt het boek zelden of nooit diepgravend. Als bron citeert Didden al te vaak Wikipedia en er staan storende fouten in, zoals de cafénamen Le Laboureur en Café Verschueren en de schrijversnaam Thomas Bernard (heeft de Oostenrijkse theaterauteur Thomas Bernhard trouwens ooit in Elsene gewoond of is er sprake van een persoonsverwisseling?). Soms vervalt zijn verhaal in een droge opsomming van plaatsen, die hij van een weinigzeggend epitheton voorziet. Zo is Wiels zowel van binnen als van buiten een “merkwaardig” gebouw dat een bezoek waard is.

De charme van het boek ligt veeleer in zijn onderhoudende verteltoon en in zijn autobiografische toets. Zo haalt Didden herinneringen op aan zijn vader, die douanier was en specialist in internationale zaken. Omdat vader vaak zijn boterhammen thuis vergat, moest zoonlief die naar zijn werk brengen, in een van de Brusselse stations. Vandaar dat Didden nog altijd een zwak heeft voor stations. Zijn introductie tot de jazz beleefde hij toen hij als negenjarige snaak Benny Goodman op de Grote Markt zag optreden. In hetzelfde jaar bezocht hij met zijn ouders de legendarische Expo 58. Hij herinnert zich ook nog precies de heilige schrik die hij opliep toen zijn broer Leon deed alsof hij van de Albertbrug in Schaarbeek was gedonderd: “Hij heeft me toen uitgelachen. Dat doet hij nog altijd.”

Een gehucht in een moeras van Marc Didden verscheen in oktober 2013 bij uitgeverij Luster. Het boek is verlucht met knappe foto’s van Johan Jacobs.

Share

AboutTom

Nieuwe Brusselaar met een passie voor taal, cultuur en journalistiek. Geboren in Sint-Niklaas. Studeerde Germaanse talen in Gent en woonde na zijn studie zes jaar in Berlijn. Houdt zich bezig met beleid en communicatie binnen de Vlaamse overheid en is journalist in bijberoep.

  • winny biets

    Mooi boek, je leert veel over Brussel en leert Marc beter kennen een toffe man.