2014 in vogelvlucht (4)

Het is de tijd van de jaaroverzichten. Ook BrusselBlogt kijkt terug op een gevuld jaar met veel bijdragen over uiteenlopende onderwerpen. Een terugblik op 2014 in citaten uit onze artikels. Vandaag het vierde en laatste deel.

Oktober

Omdat er cafés zijn met namen als Eendracht, l’Espérance en De Muze heb ik hoop. Wanneer woorden de titel van een plaats of een boek bekleden, weten we dat ze belangrijk zijn. Omdat er cafés zijn als Chez Maman, Dreams en De Post, waar we thuiskomen, met mondjesmaat ontboezemen, heb ik hoop. Hoe later, hoe meer uit volle borst. (Espérance)

Nietsvermoedend liep ik nog niet zo lang geleden langs 54 toen ik als door de bliksem getroffen bleef staan. Een zee van licht en mensen stroomde op het plein dat in schemerdonker gehuld was. Met verwondering en verbazing stond ik ernaar te kijken. De deuren van de kerk stonden open. (Het patroon doorbroken)

Ik stap op de trein en ga ergens alleen zitten. Ik kijk naar buiten. Na een tijd begint de wereld die ik ken te verdwijnen, eerst heel langzaam, daarna steeds sneller. Tot de dingen voorbijrazen aan mijn raam. Ik kijk naar buiten en ik zie de dingen, zo vaag. Nog nooit wist ik zo zeker dat ik zo weinig wist. Ik ben achttien. De wereld raast voorbij mijn raam. En doelloos. (Achttien in Brussel)

Zijn werken stralen lichtheid uit, en licht, alsof afwezige spots alle zwaartekracht wegstralen en de voluptueuze personages uit het schilderij heffen. Hij brengt levensechte imitaties van irreële creaturen, vaak volslanke godinnen in sensueel conflict met gespierde duivels. De strijd tussen goed en kwaad, de afbeelding van de bourgeoisie, landschappen en boerenkermissen, agressie en gruwel, en ook lieflijke romantiek. Rubens kent de tegenstelling en laat zich inspireren door de mens zelf, zijn omgeving, zijn dagelijkse gewoontes en zijn ijdelheid. (Licht naakt)

Als ik in Brussel dreig te verdwalen, wat nogal vaak gebeurt, dan zoek ik gewoon de Pensioentoren aan de horizon. En dankzij deze blauwe flat geraak ik altijd waar ik moet zijn. (Pensioentoren viert feestje)

© Jochem Oomen

November

“En neen, want ik hoor het je gewoonweg denken, dit kost niets. Enkel een ‘goeie dag’ volgende keer als ik u nog eens tegenkom. En een koffie. Tot dan”. We lachen en we schudden elkaar nog één keer de hand. Eindelijk thuis. En ik denk aan de mogelijkheden en de magie die je kan vinden door uit je comfortzone te stappen. (Wijfjeshert)

Brussel is geen mooie stad. Het is er vuil, en bouwpromotoren hebben de kans om lelijke dingen te doen niet laten liggen. Er zijn plekken waar je beter niet komt, en hoe je het best te gedragen is vaak ook onduidelijk. Er is geweld, klein en groot, zinvol en zinloos, dronken daklozen palmen de stations in. Aan de regelmatig oplopende polemiek over de leefbaarheid van Brussel heb ik niets zinnigs toe te voegen. Maar de stad straalt energie uit, is onaf en voortdurend in beweging, ambitieus hier en daar. Soms is ze oprecht, soms heeft ze veel te verbergen, en vaak spreekt dat elkaar niet tegen. Door zo’n stad is het goed wandelen. Over de stoepen en straten, door angsten en beloftes. Zoals door het leven, eigenlijk. (Onaf en voortdurend in beweging)

Eric Min verliest zich te veel in zijn passie voor de petite histoire en het pikante detail, in casu de buitenechtelijke escapades van zijn hoofdfiguren. De kunstwerken waaraan ze hun roem danken, krijgen daardoor niet altijd de aandacht die ze verdienen. Het boek stimuleert je te weinig om zelf op ontdekking te gaan. Zijn kleurrijke, barokke stijl vervalt geregeld in gezwollen beeldspraak, wat het lezen tot een opgave maakt.  Zo blijft het boek ondanks de onmiskenbare verdiensten half-en-half. Zoals het sprankelende aperitief waarmee Min Brussel vergelijkt. (Half-en-half)

En toen werd het koud. Te mooi om waar te blijven, dat zachte zonnetje op ons gretig gelaat. Verscholen achter dat lekker warme weer zit een gure kille winter, klaar om door te breken. Maar daar zijn we niet bang voor, we zijn al content met wat er te krijgen viel, Belg die we zijn. Die heerlijke zonnesteek kunnen ze ons al niet meer afpakken, de lente in ons lijf, de zon in ons lief. (Spring is in de winter)

Het was in de zomer van 2000. Tijdens mijn stage bij het jongerenmagazine van Reporters Online werd ik erop uitgestuurd om boterhammeneters in Brussel te betrappen. Het Nederlandstalige muziekfestival van Jari Demeulemeester moest vanwege perikelen met het stadsbestuur uitwijken naar het Spanjeplein en was omgedoopt in Boterhammen in de Stad. Op de affiche stond Gorki. Luc De Vos kwam, zag en overwon. Here we go baby! Rock-’n-roll! (Meer dan Mia)

© Ria Aerts

December

“Wij moeten mee zijn met onze tijd,” zal een of andere gladde manager gedacht hebben op de 17de verdieping van een glanzende toren. “Die tijd wordt gekenmerkt door digitalisering en verspilzucht, wat als we nou eens zelf het goeie voorbeeld geven door die twee te combineren?” En zo geschiedde: manshoge flatscreens knal in het midden van een perron. Ik hoef u niet te overtuigen van de perfide invloeden van reclame op een mensenbrein. Tot voor kort was dat echter beperkt tot statische ruis via affiches, die een normaal mens mentaal kan buitensluiten. (Grenoble, een voorbeeld voor Brussel)

De fado sterft uit, mijn ogen vallen toe. In mijn droom varen we met een schip langs de kusten van Portugal, Amalia en ik. De vissers aan wal lachen en wuiven ons vriendelijk toe. Ik word wakker en heb zin in pasteis de nata. (Amalia)

De oude vrouw koestert de rondkijkende baby alsof het haar geliefkoosde kleinkind is. Als ze de baby zachtjes teruggeeft, vraagt ze in moeizaam Engels of het een jongen of een meisje is en hoe oud het kind is. Een meisje van twaalf weken, vertaalt ze tegen haar man. Haar blik blijft gericht op de baby. Ze wuift en maakt babygeluidjes. Als ze in Charleroi aankomt, zal ze nog naglunderen. (Een meisje van twaalf weken)

De regels houden niet van fietsers. Daarom kunnen de fietsers zich niet aan de regels houden. Al de rest is praat voor de vaak. (Fietsers opereren in conflictzone)

Het was vandaag een goede dag. Niet om van achterover te vallen, maar gewoon, goed. Al moet ik af en toe mijn keel eens schrapen. En de ruimte, kijk omhoog, kijk maar. De ruimte staat klaar. (Iemand vraagt waarom)

De kerststress daalt neer op ieders schouders als een smeltend ijsvlokje dat pijnlijk koud op je neus komt te zitten. Want: er is minstens nog één persoon voor wie je een cadeautje moet kopen – wat zeg ik – bedénken, de aanblik van de overbevolkte winkelstraten doet menig mens knikkende knieën krijgen en wie heeft aangeboden de feestmaaltijd voor zijn of haar rekening te nemen voelt zich waarschijnlijk al in zijn bloot gat gezet. (Kerststress)

Belgian Street Photography, BELvue © Jef Beirinckx

Share

AboutTom

Nieuwe Brusselaar met een passie voor taal, cultuur en journalistiek. Geboren in Sint-Niklaas. Studeerde Germaanse talen in Gent en woonde na zijn studie zes jaar in Berlijn. Houdt zich beroepsmatig bezig met beleid en communicatie binnen de Vlaamse overheid.