Een onbevattelijke veelheid van Brusselse tegenstrijdigheden

Amanda Bos woont in de groene rand van Leuven en fietst dagelijks naar het werk in Brussel. Deze bijdrage schreef ze oorspronkelijk voor Azertyfactor, het online schrijversplatform van de vzw Creatief Schrijven.

“Mais je ne sais pas! Il n’est pas rentré!” zei een oudere dame tegen haar vriendin. Terwijl ik voorbijfietste, ving ik nog net een flard van het gesprek op. Genoeg echter om te zien dat de vrouw die deze woorden zei, zich danig aan het opwinden was.

“Non, non, le White Star était le premier club de Kompany.” Ik was alweer verder gereden en hoorde in de vlucht een prille puberjongen voetbalonderricht geven aan zijn kameraad. Terwijl ik al trappend een beetje nostalgisch mijmerde over mijn eigen lang vervlogen jeugd, klonk er een stevig “Eh mademoiselle, ça va?”, vergezeld van het sputterende brommen van een lijdend scootertje, in mijn linkeroor. Glimlachend antwoordde ik de gezette Marokkaan in zijn fluoblauw hemdje: “Oui, et vous?” en fietste verder. Het arme brommertje, gebukt onder zijn zware last, kon me gelukkig niet bijhouden. Ik had geen zin in een langer gesprek. Bovendien moest ik mijn ogen op de weg gericht houden. Brussel is druk.

Brussel, met al zijn kleurige inwoners. Je kan niet anders dan het innig liefhebben. Als ik naar al die mensen keek, elk met hun eigen visies, projecten, bekommernissen, hield ik van de samenhang. Ik voelde me heel verwant, met elkeen die ik tegenkwam. We proberen er allemaal iets van te maken, toch? Terwijl ik de ene na de andere kruiste of eerder probeerde niet omver te rijden, vroeg ik me bij elkeen af waar hij of zij vandaan kwam. Ik wilde weten hoe hun dag eruit zag, wie hun vrienden waren. Hoe zouden ze leven? Het verwantschapsgevoel verwarmde mijn hart. Bulkend van gelukkige sympathie fietste ik verder. Tussen de prachtige gevels van huizen vol vergane glorie, recht naar de groene allee die me Brussel uit zou voeren.

Deze groene allee is een kilometerslange, smalle strook waar zowel fietsers, voetgangers, lopers en spelende kinderen op te vinden zijn. Het hele pad is met hoge bomen omzoomd. Het lijkt wel of heel Brussel hier verkoeling en rust komt zoeken. Waardoor het geheel natuurlijk een warm broeinest van drukte wordt. Toch ademde ik opgelucht de smogloze lucht onder de frisse bomengalerij in.

Ik was blij dat ik het ook vandaag weer tot hier had gebracht. Fietsen in onze hoofdstad is immers geen pretje. Er is niet alleen de drukkende stank van de uitlaatgassen die elke dag mijn longen pijnlijk prikkelt, er zijn ook nog eens nergens fietspaden. Bovendien is iedereen zo gehaast en met zichzelf bezig dat men het omverrijden van een fietser om sneller op je bestemming te geraken slechts een geringe prijs om te betalen vindt. Dus ja, het inademen van een flinke teug opluchting onder de bomen leek me een normale reactie na het doorstane leed.

Net toen ik deze blije bedenking maakte, fietste ik bijna tegen een oudere loopster op. Niet alleen liep ze aan de verkeerde kant van de smalle wandel-, fiets- en speelstrook, bovendien schold ze me ook nog eens in het Frans de huid vol. “Ela mamy, on se calme hein!” riep ik terug. Terwijl ik mezelf en mijn fiets woest weer in gang trapte, probeerde ik haar nog even op mijn meest minachtende manier aan te kijken. Het was toch ook weer echt een typisch mens, bedacht ik me, met haar veel te strakke, fluoroze en vooral dure looppakje. Op die leeftijd zou ik me zó zeker niet meer kleden, nam ik me stellig voor. En dat wilde ik haar bij wijze van laatste natrap, dan ook even zeggen. Ze was gelukkig al lang verder gelopen.

Direct erna schaamde ik me voor mijn belachelijke reactie. Onmiddellijk herinnerde ik me weer waarom ik Brussel zo haatte. Veel te veel mensen op een al te kleine oppervlakte! Dat maakte hen egoïstisch en bracht vervelende personages zoals die fluoroze dame voort. En zorgde er zelfs voor dat ik mijn eigen beschamende reacties schuldig niet begreep. Het Brussel-effect! Ik was blij dat ik bijna aan het einde van de groene tunnel was gekomen. Weg uit die konkelende mierennest. Mijn lyrisch gevoel van verwantschap dat me zo-even nog volledig verwarmde, was nu helemaal afgekoeld.

Toen ik thuiskwam, bedacht ik dat ik morgenvroeg, dus binnen een paar uurtjes eigenlijk, alweer terug op mijn fiets richting Brussel zou zitten. Ik wist dat de charme van de hoofdstad me onmiddellijk weer zou veroveren. Om dan om te slaan in haat als ik alweer eens nét niet onder de wielen van een van de veel te talrijke voertuigen beland. Haaa… Brussel!

Share