Brussel Centraal

Roel Nijleend komt graag in Brussel en wil de stad beter leren kennen. Deze bijdrage schreef hij oorspronkelijk voor Azertyfactor, het online schrijversplatform van de vzw Creatief Schrijven.

Geachte heer, beste vriend,

Je kent mij niet. Ik weet niet waar jij woont. De kans dat jij deze brief zal lezen is dus klein. Maar ik vond dat ik hem toch moest schrijven. We zagen mekaar gisteren, in de wachtzaal in Brussel Centraal. Enfin, ik zag jou. Je liet me geen andere keuze. Ik vermoed dat jij mij niet echt hebt opgemerkt. Je had het nogal druk.

Door een defecte locomotief zat het verkeer in de noord-zuidverbinding weer eens helemaal in de knoop. De stationshal was volgelopen. Er hing een beklemmende geur. Een mix van ambtenarenzweet en warme wafels. Ik wou er weg en wel zo snel mogelijk. Heel even overwoog ik te vluchten in zo’n typische stationsbar. Waar sombere figuren op elk moment van de dag troost vinden in een grote Leffe. Toch maar niet. Ik genoot van de stilte die over mij viel toen ik de wachtzaal binnenstapte. Ik koos de stoel achteraan, naast de man met de opzichtige hoofdtelefoon. Hier was het ook druk, maar toch heerlijk stil.

Een tenger vrouwtje hield een klein papieren tasje dicht tegen zich aan gedrukt en keek angstig voor zich uit. Naast haar zat een grijze man te verzuipen in een veel te grote regenjas, onder een veel te grote hoed. Daarnaast een mollige dame die verbazend snel een half stokbrood naar binnen werkte. En nog wat verder de meneer met de drie rugzakken en de Zweedse puzzel. Ik schrok toen ik recht in de ogen keek van de Noord-Afrikaanse man met de scherpe jukbeenderen. De eerste in de rij die mij ook aankeek, en hoe. Een ijskoude agressieve blik, die mij geen andere keuze gaf dan snel weer weg te kijken. Zeker weer zo’n Syriëstrijder! Waar zijn de para’s als je ze nodig hebt? De vrouw naast hem las ongestoord en met ernstige blik, alsof ze een ingewikkeld wetenschappelijk artikel doorgrondde. Het was TV Story. Dan toch liever die brede smile van dat zwartje met het rood geverfde haar en de plateauschoenen. Of die dromerige blik van het mooie meisje in de hoek, met de skinny jeans en de blauwe Doc Martins, onophoudelijk starend naar haar gsm.

Mijn wachtgenoten. Ik bekeek ze allemaal, één voor één. Allemaal druk bezig in hun eigen wereld. En allemaal respecteerden ze de serene stilte die hier hing. Zelfs die man met de Boliviaanse klederdracht had voor één keer zijn panfluit thuis gelaten.

En toen verscheen jij, uit het niets. Je zat verderop in de rij, maar ik had je nog niet opgemerkt. Tot je met een luide kreun voorover boog, met je hoofd tot diep in een van die grote plastic zakken die je bij had. Wat erin zat, heb ik nooit geweten. Wat je zocht ook niet. Maar dát je iets zocht, was heel duidelijk. Je ging tekeer als een razende hond die zijn bot zoekt in een hoop bladeren. De inhoud van je zak ritselde en rammelde. En jij zuchtte en kreunde en gromde als een beest. Een paar keer richtte jij je op, als een walvis die lucht kwam halen, voor je er weer in dook, telkens opnieuw.

Toen gebeurde er iets geks. Enkele wachtgenoten keken elkaar aan. Wisselden blikken uit. Een frons van verontwaardiging. Afkeurende mondhoeken. Gefluister en gemompel. Er was ineens contact, tussen mensen die tot dan toe opgesloten leken in hun eigen luchtbel.

Plots stopte je met zoeken. Je stond op. Keek snel even rond in het zaaltje. En terwijl je je warrige haardos plat streek met een vuile hand, zei je met luide, plechtige stem: “Nog een prettige middag allemaal!”

Ik moest daar eigenlijk vreselijk om lachen. Hoe jouw warme wens al die ernstige, drukke, zure mensen het nakijken gaf. Ik vergat om jou ook een prettige middag te wensen. Daarom deze brief. Ik hoop dat het je goed gaat. En dat je mag vinden wat je zoekt.

Met warme groeten,

Roel

Share