“Trekt aa plan” oftewel les jeunes de Bruxelles

Elke dag kom ik hen tegen. Hun dag begint als ik ’s morgens Brussel kom binnengereden op mijn fiets. Bovendien eindigt de schooldag precies op het moment dat ik ook naar huis mag. Een vreemde versmelting van mijn eigen volwassen zelf, ondanks alles toch ook niet zo oud, met nieuwe kleine wereldburgertjes, voor wie ik wel antiek moet lijken.

Tussen het ontwijken van de vele naar bus of tram lopende hordes door, heb ik toch eens de tijd genomen om hen wat oplettender te bekijken. En ik moet toegeven dat dit niet helemaal zonder afgunst is. Want de Brusselse jongere is cool! Het is natuurlijk onmogelijk om hen, met al hun unieke hoofdstedelijke verscheidenheid, te veralgemenen. Maar toch is er iets wat zij, en alleen zij, allen uitstralen: wereldwijsheid. Dat kan ook niet anders. De Brusselse jongere is het namelijk gewoon om zijn plan te trekken. ’s Morgens zie ik kinderen van misschien acht of negen jaar achteloos de tram opstappen, ervaren, gehard door de dagelijkse mallemolen. Ze zijn zo klein dat ze haast verdwijnen achter die grote vierkante boekentas die ze op hun rug meezeulen, maar toch ook zó zelfverzekerd. En zo alleen. Er lopen wel andere kinderen naast, maar nergens zie ik volwassenen die op hen letten, hen beschermen tegen de indrukwekkende veelheid van ervaringen.

Zelf ben ik opgegroeid in een dorp waar er niet eens een tram wàs. Ik moet al een jaar of dertien geweest zijn toen ik er voor de eerste keer één heb gezien, laat staan dat ik wist hoe hem te gebruiken. De aanblik van die kleine mensjes, die routineus ‘grote-mensen-dingen doen, maakt me inderdaad een beetje jaloers. Als ze op die jonge leeftijd al zo zelfstandig zijn, hoe ver zullen ze het later dan wel niet schoppen?

Naast deze kleine plantrekkers wordt ‘la Capitale’ dagelijks om klokslag halfvier veroverd door iets oudere exemplaren van dezelfde soort. ‘Les jeunes’ verlaten in dichte drommen de talrijke schoolpoorten. Je hebt ze in alle maten en gewichten, in leeftijdsklassen van twaalf tot ongeveer tweeëntwintig, elk aards ras vertegenwoordigend en hier en daar loopt er zelfs een alien tussen, lijkt het wel. Ook zij stralen die wereldwijze coolheid uit, in nog veel hogere mate dan hun jongere opvolgers. Allen met hun peperdure smartphone aan hun hand vastgeplakt, staan ze in verschillende groepjes bij elkaar op pleinen, in parken en aan bus- en tramhaltes. Zonder uitzondering komt er uit die toestelletjes muziek van een genre dat ik niet eens kan benoemen, maar daarom niet minder waardeerbaar klinkt dan de liedjes die ik wél ken. Daarenboven zijn er hun kleren! Soms zien ze er zo chique uit dat ik me afvraag of hun ouders niet stiekem een bank hebben overvallen om ze te kunnen betalen. Op andere dagen lijkt het dan weer alsof ze hun hemden en broeken uit de zakken van de daklozen aan het zuidstation zijn gaan vissen. In elk geval, ze slagen er telkens weer in om me met de vreemdste combinaties aangenaam te verrassen. Bovendien zie ik hun vreemde vestimentaire combinaties later steevast opduiken bij de jeugd in mijn eigen dorpje. Weliswaar minstens een halfjaar nadat ik ze voor het eerst in Brussel heb gezien, natuurlijk. Ja, de Brusselse jongere is een haantje de voorste. Hij (of zij natuurlijk) heeft van niemand schrik en doet lekker zijn (haar) eigen ding. Ongenaakbaar is hij (zij), en “trekt aa plan” lijkt wel een levensmotto.

Terwijl ik verder rijd, overvalt me toch een twijfel. Zouden ze echt zo wereldwijs en intouchable zijn als ze lijken? Ben ik er zeker van dat achter hun stoere blik geen onzekere ongerustheid schuilt? Zijn ze echt zorgeloos of maken ook zij zich zorgen over waar ze hun eigen plekje in die overweldigende drukte moeten vinden? Het laat me niet los. Iets in mij gelooft niet in die ondoordringbare muur die ze om zich heen optrekken.

Dankzij een gelukkige samenloop van ongelukkige omstandigheden, krijg ik een paar dagen later de kans om een blik te werpen in hun wereld. Mijn ongeruste voorgevoel werd (al dan niet gedeeltelijk) bevestigd. Jawel, Brusselse jongeren zijn inderdaad zeer zelfstandig en mobiel, maar tegelijkertijd kende iedereen die ik heb gesproken wel iemand wiens dure smartphone in de tram of bus was gestolen. Of erger, ze waren zelf slachtoffer. En jawel, ze lijken vrij en wereldwijs, nemen met zijn allen zonder verpinken bezit van alle pleinen en parken in de stad. Maar hangen ze daar rond omdat ze geen warme thuis hebben om heen te gaan? Is het enige dat er op hen wacht misschien de spreekwoordelijke sleutel onder de mat? Voelen ze zich dan wel geborgen in het park bij hun vrienden? Of klopt het wat sommigen zeggen: namelijk dat ze zulke plaatsen toch liever mijden omdat groepjes gelijkaardige plantrekkers het grondgebied reeds hebben opgeëist en geld of gsm afnemen van soortgenoten die er volgens hen niet thuishoren?

Mijn voorstelling van de feiten is waarschijnlijk nogal ongenuanceerd, daar ben ik mij ten volle van bewust. Ze dient dan ook gerelativeerd te worden. Maar wat ik wel heb vastgesteld is dat “les jeunes” een prijs betalen voor hun stoere ongenaakbaarheid en zogenaamde vrijheid. Hun franke gezichten verbergen wantrouwen en angst. Hun ondoordringbare muur is slechts een verdediging tegen gevaren waar ze zich heel wereldwijs van bewust zijn.  “Och Grrrr! Hangjongeren!” Het is menselijk om zo over hen te denken als je weer eens niet kan passeren omdat ze in grote groep tussen jou en de tramdeur staan. Toch durf ik vragen om dit negatieve begrip “hangjongere” een beetje te relativeren. Niet elk gebouw mag op zijn façade worden beoordeeld. En zeker niet in Brussel!

Share
  • mama

    heel goed geschreven vind ik. Als rasechte Brusselaar en moeder van een “stoere plantrekker” herken ik hierin mijn eigen bevindingen en ongerustheden.
    de wereld onder de veilige kerktoren is héél ver weg.