Prille meertaligheid

 

Speculoos, chocola, Manneken Pis, het Atomium, het zijn allemaal vaste waarden, maar talen zijn dé specialiteit van Brussel. Het is één grote werf: van de uitheemse aankomstwijken en de volkse Marollen naar het Babelse Schuman, voorbij de tweetalige straatnaamborden of langs de Franstalige bourgeoisie. Talen zijn werelden. Hoe meer je er kent, hoe groter je wereld wordt. Taalsoepelheid houdt je jong. In de reeks De meertalige metropool kijken we binnen bij diverse werkplekken met een actief talenbeleid. Vandaag de inleiding.


Wie Brussel bezoekt, komt in een toren van Babel terecht, met mensen uit alle windstreken, die heel veel verschillende talen meebrengen. Tegelijk leven we in een tweestromenland, want Brussel is ook een officieel tweetalig gebied.

Ga je in Brussel wonen, dan krijg je de vraag of je je correspondentie in het Nederlands of het Frans wenst te ontvangen, alnaargelang je je in de Spiegelstraat vestigt of in de rue du Miroir. De website die je bezoekt, heeft een Nederlandstalige en een Franstalige versie (en soms een Engelse). Er zijn twee aparte onderwijsnetten en er is een tweetalige dienstverlening.

Je kan je bedienen van een van die twee talen en perfect als burger functioneren, maar de lingua franca is wel het Frans.

Rudi Janssens, prof aan de VUB en mentor van het enige onderzoek naar taalevoluties in het Brussels Gewest, de zogenaamde taalbarometer, vraagt zich af of we dit georganiseerde verschil, een pacificatiemodel tussen twee gemeenschappen, achter ons kunnen laten om te komen tot één gemeenschap.

Want het Gewest mag dan institutioneel vastgeschroefd zijn op die tweetalige constructie, het Brussel van nu is een multiculturele stad. De bewoners definiëren zich veel minder dan vroeger als ‘Nederlandstalig’ of ‘Franstalig’, maar meer als ‘Brusselaars’. De Gemeenschappen worden zo langzamerhand overvleugeld door een hybride realiteit. Taaldiversiteit is een feit geworden.

Toenemend Brussels zelfbewustzijn

De Brusselaar wordt gaandeweg ook trotser. Er groeit een zogenaamd ‘Brusselgevoel’ of een ‘Bruxellitude’. In de “morsige stad” die Brussel volgens Eric Min is (in zijn boek ‘De eeuw van Brussel’), een “tussenruimte, waar niets definitief is, waar elegantie hand in hand gaat met onherbergzaamheid”, voelt elke minderheid zich thuis, omdat er geen dominante meerderheid meer is. Het is een haven voor migratiebewegingen en het is ook het hart van de Europese constructie.

In die zin is Brussel “een makkelijke stad, omdat ze aan niemand toebehoort, en waar je je identiteit niet moet uitgommen” (auteur Diego Marani, 23 maart 2014, Brussel Deze Week).

Deze situatie maakt van Brussel een laboratorium. Dat is fijn, maar het kan ook fout gaan, als we alles op zijn beloop laten. De gedeelde ruimtes moeten iets opleveren, er moet beweging in zitten, “zodat het verschil niet ontaardt in verwoestende vooroordelen” (Hans Vandecandelaere, ‘In Brussel, Een reis door de wereld’, 2012). Er moet uitwisseling en toenadering zijn.

En dat leidt tot de vraag wat de mensen het meest motiveert om actief met die verschillen te leven. Want het makkelijke aan Brussel, zijn open karakter, zorgt er tegelijk ook voor dat niets er eenvoudig is.

Fundamentele obstakels voor de opbloei van zo’n hybride identiteit zijn onderwijs, tewerkstelling en de relatie met de rest van België.

Christiaan Kesteloot, hoogleraar sociale geografie (KUL, ULB) vat het zo samen: “Door de de-industrialisering, de delocalisaties en de financiële speculatie (onder andere op woningbouw), is er een sterk gemarkeerde tweedeling tussen arm en rijk, gekwalificeerd en ondergekwalificeerd. Het onderwijs mist de kracht om die grote groep hogerop te trekken” (in Le Soir, ‘SOS Bruxelles’, 7 mei 2013).

Brussel moet ook steun vinden bij ‘België’. Begrip, waardering, een positieve kijk, en voldoende financiering van buitenaf zijn noodzakelijke voorwaarden voor succes. De overheveling van meer bevoegdheden naar het Brussels Gewest, na de laatste staatshervorming, kan daarbij helpen. Als Brussel niet de vereiste zeggenschap kan krijgen om haar specifieke karakter en haar specifieke troeven te laten uitgroeien, dan zal de stad gefrustreerd in de startblokken blijven staan.

En wat schort er precies aan het onderwijs? Jongeren steken hun arme en rijke buurten niet over, uit angst. De sociale ongelijkheden vertalen zich in ongelijkheden op school, waar die eerste opnieuw gereproduceerd worden. Er is sprake van school-apartheid. Tegelijk evolueren de eindtermen niet mee met de veranderende realiteit. De eigen geschiedenis blijft te centraal staan als objectief, er is niet voldoende bewustzijn van de grenzen van het eigen denkkader.

Dat is precies wat Brussel meer en meer is: een verzameling verschillende denkkaders. Wanneer je een derde toelaat in het spel, krijg je vaak een gezondere situatie dan met twee. In Brussel kan niemand genoeg hebben aan zichzelf.

Voor- en nadelen van meertaligheid

Taalpolitiek is in heel Europa momenteel een hot item. De maatschappelijke waarde van het fenomeen ‘taal’ is groot, gelet op de toenemende vormen van meertaligheid, die steeds in verband staan met de aan de gang zijnde migraties.

Is meertaligheid echter wel echt nodig? Zijn de nadelen niet groter dan de voordelen? Rudi Janssens (VUB) schreef, als antwoord op die vraag, een boek met de titel “Meertaligheid als cement van de stedelijke samenleving”. Schepen bij de Stad Brussel Ans Persoons legt de nadruk op diezelfde term. Volgens haar zijn de Brusselaars in het nationaal elftal het cement van de ploeg, omdat ze bruggen bouwen. “Als ik Kompany na een wedstrijd de horde journalisten te woord hoor staan – moeiteloos switchend tussen Frans, Nederlands en Engels – dan ben ik trots op mijn stad. Heel trots.”

Vaak komt ook het woord respect naar voren, bijvoorbeeld over de relatie tussen Frans- en Nederlandstaligen: openstaan voor wat de andere is en vertegenwoordigt, begint bij een inspanning om diens taal ook te gebruiken.

Taal, cultuur en identiteit zijn in elk geval nauw met elkaar verbonden.

Nog meer voordelen vinden we in de werksfeer. Vandaag volstaat het niet langer eentalig Frans te zijn. Een Brusselaar van Ierse oorsprong vat het zo samen:

“Een Franssprekende Brusselaar zegt: “We hebben Nederlands geleerd, we hebben het niet onthouden, en we spreken er een woord of twee van om af en toe te zwanzen”. Steeds vaker vergist die Franssprekende zich, dat weten alle werknemers die met Nederlandstalige klanten werken en met het economisch machtige Vlaanderen of met Nederland. “On ne peut rien faire pour toi”, horen die, als ze niet een zeker niveau Nederlands hebben. Voor velen is dat pech. Geen tweede taal, geen werk.”

Voorbeelden van meertaligheid op de Brusselse werkvloer

“Le mixage est unique de Bruxelles. Il existe aux plusieurs endroits où on parle différentes langues, comme Paris, Londres, etc., mais nulle part ailleurs qu’à Bruxelles on parle plusieurs langues dans une seule phrase”, zegt een Brusselaar.

Toenemende Brusselse trots en zelfbewustzijn over zijn laboratoriumfunctie (de stad als mogelijke voorafschaduwing van hoe de wereld er kan gaan uitzien), dat is één ding, talen actief leren en ze gebruiken is nog iets anders, want het woord meertaligheid heeft twee betekenissen: enerzijds het aantal talen dat circuleert, anderzijds het aantal waarover een individu beschikt.

In deze reeks gaan we naar zes werkplekken kijken en treffen we zogenaamde ‘best practices’ aan. Effectieve inspanningen, hoe ze werken en welke obstakels er opduiken. Van het centrum tot aan de periferie, bij overheidsinstellingen en in de privé-sector, bij grote en kleine bedrijven, van het culturele veld tot bij de medische wetenschap. Een taalgemengde blik op Brussel en een concrete invulling van dat modewoord: hybride.

Share