Spitstaaltechnologie bij Pfizer

Engels is de belangrijkste taal bij Pfizer in Anderlecht, ‘s lands grootste ontwikkelaar van vaccins en geneesmiddelen en ‘s werelds voornaamste biofarmaceutisch bedrijf. Het is de taal die de deur naar de hele wereld opent. Het hoofdkwartier ligt dan ook in New York. Vandaag de tweede aflevering van de reeks De meertalige metropool.

“Volgens de jobdescription, en ook volgens het development plan, is talenkennis heel belangrijk. Aan het woord is Pascal Ryckmans, ‘Director of Operations’. “Al onze procedures, protocols en vergaderingen zijn in het Engels. Ook de meeste trainingen. Na een filtering, en een ideaal van drietaligheid, houd je tweetaligen over, met het Engels als noodzaak, zeker voor globale functies.”

Pfizer draait dankzij vrijwillige proefpersonen, die bereid zijn om de geneesmiddelen in ontwikkeling te testen. Op de unit aan de ziekenhuis-site Erasme genieten ze van moderne apparatuur en worden nieuwe evoluties van nabij gevolgd, zoals de steeds kortere hospitalisaties en operaties vanop afstand.

Groeiend bedrijf wordt meertaliger

Pascal Ryckmans: “De eenheid bestaat nu 20 jaar. Historisch gezien waren wij bijna uitsluitend Franstalig. Onze rekrutering ging uit naar de universiteiten van de ULB en het merendeel van ons personeel kwam van het Erasmusziekenhuis. Onze eerste vrijwilligers waren ook bijna uitsluitend Franstalig. Geleidelijk deden we meer en meer studies en de nood aan vrijwilligers werd groter. Zo breidde de rekruteringscirkel mee uit, van regio Brussel naar Brabant, en dan naar heel België. Het werd belangrijk om tweetalig personeel tewerk te stellen. Ons eerste doel in de eenheid is de veiligheid van de vrijwilligers te garanderen. Communicatie is daarbij een heel belangrijk punt.”

Tweetalig verplegend personeel vinden, blijkt een belangrijke hindernis, maar volgens Ryckmans vergroot de groep wel. Er is een grotere focus op rekrutering van interimarissen uit het Pajottenland, voor wie het gemakkelijker is om in Anderlecht te komen werken.

Taalstimulering in de praktijk

“De selectie is strenger dan elders en we stimuleren de mensen ook. Velen gaan hier aan de slag en beginnen privé-taallessen te volgen. Niemand doet dat tegen zijn zin. We hebben ook Nederlandstalige collega’s, voor wie Frans niet altijd gemakkelijk is. De ene spreekt soms in het Nederlands, de andere in het Frans. Ze corrigeren elkaars fouten, dat zie je dagelijks. Dat gebeurt heel natuurlijk en daar komt geen kritiek op. Dat is interessant en het maakt het prettig.”

Franstaligen onder elkaar die Nederlandse taaltips geven, hier gebeurt het.

Jan Wauters, Facility and Logistic Officer (Nederlandstalig): “Engels was mijn tweede taal. Frans was niet de gebruikelijke taal voor mij. Dat heeft de nodige inspanningen gekost, en nog altijd, omdat het niet vanzelfsprekend is als het niet je moedertaal is. Je communiceert niet even vlot. Maar je gebruikt het wel dagelijks.”

“Veel conversaties beginnen in het Nederlands. Als het iets ingewikkelder wordt schakelen we over naar het Frans. We zien dat in een paar jaar tijd de bereidwilligheid om Nederlands te praten sterk toegenomen is. Omdat we meer Nederlandstalige vrijwilligers hebben en omdat de Franstaligen zich er ook bewust van zijn dat ze het moeten doen uit respect voor de vrijwilliger. Ik denk dat wij een mooi labo zijn van diversiteit, van verschillende talen, en als iedereen een inspanning doet, dan is dat geen toren van Babel, dan verstaan we elkaar. Soms moet je het twee keer uitleggen in plaats van één keer. Ik denk niet dat iemand zich eraan stoort dat de ene Nederlands spreekt en de andere Frans, en dat we sommige communicaties in het Engels moeten doen. Af en toe spelen we er ook mee, we switchen van het een naar het ander. Dat is dan een nieuwe taal die je creëert.”

Nathalie (Franstalig): “Het is inderdaad belangrijk dat het contact met de vrijwilliger in zijn taal gebeurt. Wat we hier proberen te doen – en dat is niet gemakkelijk! – dat is op zijn minst de instructies in de taal van de vrijwilliger te geven. We organiseren sessies van taalverwerving, rollenspellen, et cetera, bijvoorbeeld tijdens de middagpauze. In kleine groepjes, gedurende een half uur, met Nederlandstalige collega’s die de rol van leraar spelen. Voor mij is de grootste zorg niet het spreken, maar het begrijpen. Vaak moet ik goed luisteren, want dat accent…!

Hoe groot is de barrière om van taal te veranderen?

Pascal Ryckmans: “Ja, dat heb je wel veel meer bij Franstaligen. Velen kunnen wel, maar durven niet. Maar nu iedereen de oefening doet, durven ook zij meer.”

Jan Wauters: “Dat klopt. Een Nederlandstalige gaat zich veel gemakkelijker smijten in een vreemde taal, zelfs als hij weet dat het met haken en ogen aaneen hangt. Terwijl een Franstalige het eerst perfect wil kunnen spreken vooraleer hij eraan begint. We zien dat ook bij het Engels. In een lossere context gaan ze ineens wél meepraten, als ze met vieren rond tafel zitten in plaats van met twintig, bijvoorbeeld.”

Werven jullie ook mensen van buitenlandse origine aan?

Pascal Ryckmans: “Wij hebben een heel diverse personeelsgroep. Enkele jaren geleden deden we eens de test en we hadden 17 verschillende nationaliteiten. En zelfs die buitenlanders doen de moeite om Nederlands te spreken.”

Share