Taalverwerving in De Munt/La Monnaie

Op zoek naar bewijs dat kennis van het Nederlands nodig is in Brussel? Ga dan eens kijken bij de Munt/La Monnaie, een van onze drie federale culturele instellingen. Tegelijk vind je er een illustratie van wat meertaligheid kan betekenen op de werkvloer. Vandaag de derde aflevering in de reeks De Meertalige Metropool.

Hoewel de Munt vroeger de reputatie had intern voornamelijk Franstalig te zijn en de gemeenschappelijke taal in en rond het toneel in vroegere tijden voornamelijk Duits, Frans, maar ook Nederlands was, is het er ondertussen hevig taalgemengd. Bovendien vinden we onder het personeel niet minder dan 38 verschillende nationaliteiten, wat logischerwijs een grote taaldiversiteit met zich meebrengt.

En natuurlijk eist het Engels een steeds belangrijkere plaats op, in een huis dat in nauw contact staat met de internationale cultuurwereld. De kans echter dat die taal er dominant zal worden is klein, want er heerst een Belgisch gevoel van trots.

Een gesprek over taalinspanningen in het operahuis met Isabelle Jonckheer, die onder meer verantwoordelijk is voor rekrutering & vorming.

(c) Thomas Sennesael

Twee taalwerelden

“Er is het internationale en het federale aspect. Dat zijn twee aparte dingen”, zegt Isabelle, en daarmee bedoelt ze het verschil tussen de communicatie met de buitenwereld en gastproductieteams en de interne taalgewoontes, die rond de twee talen draaien: Frans en Nederlands.

“Tweetaligheid is bij de Munt veel belangrijker geworden dan vroeger. Nog in de jaren 80, de beginperiode van Mortier, was de voertaal rond de scène-activiteiten vaak het Frans. Nu is het toch meer naar een tweetalige werkomgeving geëvolueerd, maar het is wel heel jobafhankelijk: in de meer technische functies (scènetechniek, kostuum- en decorateliers) werken vooral Franstaligen, aangezien we daar vaak rekruteren op de Brusselse arbeidsmarkt. Maar ook bij hen stimuleren we taalverwerving, samen met het Huis van het Nederlands. Ik vind het trouwens jammer dat er geen ‘Huis van het Frans’ bestaat, want bij de rekrutering merk ik dat het Frans van de Nederlandstaligen aan het achteruitgaan is. Voor jobs waar het echt nodig is – schrijven, communicatie – kunnen we een streng beleid voeren, maar ook voor jobs in de ondersteunende diensten zijn we strenger geworden: we vragen een zeer goede kennis van Nederlands en Frans, en we menen dat ook. In de praktijk zijn er hier heel weinig communautaire problemen.”

Twee jaar geleden werd een Parijzenaar als financieel beheerder aangeworven, die vanaf het begin Nederlands heeft geleerd en ondertussen al serieuze vorderingen heeft geboekt in zijn kennis van de taal, omdat hij er de noodzaak van inziet binnen een federale instelling. Zijn inspanningen stralen verder af op andere werknemers.

Ondertussen is de internationale theatervoertaal aan het evolueren van het Frans naar het Engels. “Vroeger was het theater in een Latijnse cultuur ingebed, maar nu komen er regisseurs uit Polen, Tsjechië, enz, die dus eerder Engels  dan Frans praten. We hebben een technisch directrice uit Australië, die lang in het Verenigd Koninkrijk heeft gewerkt.” En omdat de communicatie met al die externe ploegen niet zomaar op wieltjes loopt, zijn er ook Engelse lessen voorzien. “Een Nederlandstalige regisseur zal bij de voorbereidingen van een productie eerder het Engels gebruiken, de solisten hebben immers allerlei nationaliteiten”.

Brussel/Bruxelles: hard letten op het taalevenwicht

De Munt is voor haar technisch en artistiek personeel niet gehouden aan de wettelijke taalkaders, aangezien voor deze functies vaak internationaal wordt gerekruteerd, maar bij de Munt (La Monnaie) letten ze wel erg op het taalevenwicht, in lijn met de verwachtingen van overheidswege. Hoe vul je dat concreet in? In Brussel gebeurt het vaak op een mathematische manier, met een weegschaal erbij. Bij het openbaar vervoer bijvoorbeeld krijg je de metrohaltes van station tot station afwisselend aangekondigd, in de ene en dan weer de andere landstaal.

De Munt gaat er prat op federaal te zijn. “Heel velen zit het al hoog dat wij als culturele instelling federale subsidies krijgen. We moeten bewijzen dat we die waard zijn. We kunnen het ons niet meer permitteren om op posten waar er contact is met het publiek iemand te zetten die maar half een van beide landshoofdtalen kent”, zegt Isabelle. Bovendien vinden we het huis zelfs nog meer een Europese dan een Belgische instelling.

“We zijn er eigenlijk trots op, ja. Engels gaan we hier niet als voertaal gaan gebruiken. Soms komt de vraag of we nu Nederlands dan wel Frans zijn. Het antwoord is dan: ‘Nee, we zijn federaal.’ Mensen appreciëren dat niet altijd.” Tot  het creëren van jobtitels gaat het soms, om vreemde woorden als ‘manager’ te vermijden en er een Frans of Nederlands alternatief voor te vinden. En het gaat nog verder.

“De gebruikte taalvolgorde in ons logo en alle interne en externe communicatie verandert om het seizoen: ‘La Monnaie/De Munt’, en het seizoen daarop is het omgekeerd. Ook in mails proberen we dit zoveel mogelijk te respecteren.”

“We stellen onszelf een heleboel vragen die het publiek zélf niet eens stelt”, zegt een Munt-medewerker hierover.

“Onze opera’s zijn allemaal bovengetiteld. Het ene jaar lees je voor de pauze links Nederlands, rechts Frans, na de pauze omgekeerd. En elk jaar wordt die volgorde verwisseld. Zo kan niemand zeggen dat hij slecht geplaatst zat in de zaal.”

Werken aan een meertalige werkplek

Kunnen we er eigenlijk wel van uitgaan dat een meertalige werksituatie ook voordelen biedt? Waarschijnlijk moeten we daarbij vooral denken aan de ontmoetingen die mogelijk worden tussen mensen. Mensen die elkaar anders soms maar moeilijk treffen, tenzij kortstondig. Volgens Isabelle is het vooral de dagelijkse praktijk die primordiaal is. “Je mag nog zoveel lessen volgen, het is een cliché: al doende leert men. Als je de praktijk niet hebt, … Mensen verbeteren elkaar ook. Als ik een fout maak in een mail van mij, zegt mijn collega mij dat ook, en dat vergeet ik daarna nooit meer. Mensen worden weinig voor taalfouten afgestraft, er is respect.”

Bijkomend effect van de intense relaties onder elkaar is de kruisbestuiving tussen de talen en culturen.  “Ik weet zelfs niet meer welke taal wij eigenlijk spreken, het loopt door elkaar, vaak zonder er nog bij na te denken.”

Maar het blijft hard werk, zo’n ‘vreemde taal’ aanleren. “Je moet ook durven. Ik denk wel dat Franstaligen meer schrik hebben. Dat heeft voor mij ook met het onderwijs te maken, met de leerkrachten Nederlands, die niet altijd native speakers zijn. Daar begint het al. En soms is het dubbel werk, in twee talen werken. Communicatie naar het personeel dat vertaald moet worden en/of nagekeken, bijvoorbeeld.”

Hoe gaan de taallessen in hun werk?

“Dat is op vrijwillige basis. Wél spreken we de leidinggevenden aan met de boodschap dat het belangrijk is. We hebben ook een vormingsbudget, dat jammer genoeg relatief beperkt is. We hebben collectieve lessen Nederlands, Frans en Engels georganiseerd, en ik denk dat we nog wat meer moeten gaan peilen naar de redenen die mensen kunnen hebben als ze afhaken. Is het niveau te moeilijk? En wat doe je met degenen die het nodig hebben, maar het niet willen?

Sommigen komen in avondcursussen terecht, via het Huis van het Nederlands, en zoals ik al zei, zoeken we nog een bemiddelaar voor mensen die een andere taal dan het Nederlands willen bijschaven. Wat betreft de collectieve lessen, dat zijn groepen van maximum tien, ingedeeld per niveau, die les volgen gedurende tien weken.

We kunnen ook een beroep doen op de vorming van IFA/OFO, het vormingsinstituut van de federale overheid. Het voordeel is dat die lessen voor ons, als federaal overheidspersoneel, gratis zijn. De wachtlijsten zijn wel wat lang, omwille van het grote aantal gegadigden, en de inhoud van de cursussen is meer aangepast aan de werksituatie van  onze administratieve,  ondersteunende diensten. De taallessen die we in huis op maat organiseren, proberen we daarom meer toe te spitsen op onze eigen specifieke noden.”

 

Taalmeterschap in de praktijk

Twee grootmoeders, een meter, een peter, en een kleinkind

Een geval van sociale promotie: van de poetsploeg naar een onthaalfunctie. Michèle Vandenborre werkt sinds 40 jaar bij de Munt. In haar nieuwe functie is een goede kennis van het Nederlands noodzakelijk en ze wil het ook leren gebruiken, maar daar komt wel wat bij kijken. Om te beginnen vraagt het leren zélf inspanningen, en ten tweede zijn er de nieuwe collega’s, die soms maar weinig interesse of empathie betonen voor iemand die nog hulp nodig heeft. Gelukkig is Michèle niet alleen in dat proces: ze heeft een taalmeter, Martine Duprez. Zij is Nederlandstalig en werkt ook aan het onthaal. Samen bouwen ze geleidelijk aan de versterking van Michèles taalcompetenties.

Michèle Vandenborre (rechts) en haar taalmeter (c) Thomas Sennesael

 

Michèle Vandenborre: “Ik kom van een andere dienst: een kosjvrau, in ‘t Brussels, een poetsvrouw. Omdat mijn Nederlands niet goed is, volgde ik een speciale, individuele cursus. Want het moet snel gaan, ik werk namelijk aan de receptie. En nu de lessen voorbij zijn, kies ik een peter en een meter om mee te praten.

Het recept

Wie is de peter?

Michèle Vandenborre: “Dat is mijn baas. Met hem heb ik een andere relatie dan met Martine.”

Oefenen jullie minder Nederlands samen?

Michèle: “Niks.”

Martine Duprez: “Niks met de peter. Ze durft niet. Nochtans doet ze het goed, vind ik.”

Michèle: “Met de peter praat ik over professionele aangelegenheden, en voor mij is dat in het Frans gemakkelijker.”

En met de meter?

Michèle: “Wij praten over vanalles: familie, kinderen, kleinkinderen… we zijn twee grootmoeders. En ook over het werk.”

Martine: “We zien elkaar bijna dagelijks, om elkaar te vervangen en om de taken door te geven, of als ze de post brengt.

Martine: “Ik formuleer mijn vragen in het Nederlands. ‘s Morgens als er post is bijvoorbeeld.”

Michèle: “Of aan de telefoon.”

Martine: “Ja, dan spreek ik haar aan in het Nederlands. We gebruiken Frans en Nederlands door elkaar. Ik tracht haar te laten zoeken wat het woord betekent, bijvoorbeeld. Ik zeg het niet, maar geef een omschrijving. Als ik de context verruim, kan ze het in verband brengen. Ze heeft al veel vorderingen gemaakt. In het begin kon ze geen Nederlands, en nu kan ze al een gesprek voeren.”

Michèle: “In het Frans zeggen we ‘atomes crochus’: er is affiniteit, het klikt tussen ons.”

Martine: “Ik noem haar niet mijn kleindochter, maar ik zie het als iemand die hulp nodig heeft en die iets moet leren. Zoals een kleinkind, maar niet in de zin van opvoeden. ‘t Is met de taal, en dat is heel belangrijk, vind ik. En ze heeft het nodig voor haar job. Er komen hier veel Nederlandstaligen over de vloer, en onze directeur dringt er ook absoluut op aan.”

De goede band tussen Martine en Michèle helpt, ook voor het tikkeltje durf dat nodig is om Nederlands te praten. Met de jonge collega’s aan het onthaal is de weerstand groter, omdat Michèle die steun daar soms minder voelt. Dan kruipt ze in haar schelp.

Michèle: “Het is een jonge ploeg. Met hen durf ik geen Nederlands spreken.”

Martine: “Je moet geduld hebben, je mag niet kwaad worden als ze twee, drie keer dezelfde fout maakt.”

Beiden geven ze toe dat ze elkaar niet vaak genoeg zien, waardoor het leerproces nogal traag gaat. Daarbij werken ze ook elk in een ander gebouw van het Muntcomplex.

Zouden jullie er bijvoorbeeld voor kunnen zorgen om samen te eten?

“Samen eten zou inderdaad een nieuwe stap kunnen zijn om meer te kunnen praten.”

Martine: “”Wat we ook zouden kunnen doen, is ervoor zorgen dat we één dag per week samen blijven, aan het onthaal.”

Michèle: “Ja! Dat moeten we vragen aan Dirk. Waarom niet? Bon plan.”

 

Share
  • Pieter

    Zo kan het dus ook. Mooi initiatief.