Big in Japan

Een van de voordelen van wonen in Brussel is de nabijheid van de Grote Markt. Elke dag is goed genoeg voor een ommetje langs de mooie gevels van het stadhuis en de vele gildehuizen – het risico op gebroken benen door de oneffen kinderkopjes neem ik er graag bij. De historische grootsheid en het blinkende bladgoud zijn om duimen en vingers bij af te likken.

Wat je op die plek ook veel ziet, is de eigenaardigheid die ons allen bijwijlen overvalt. Wanneer we ons op onbekend terrein begeven, ontsnappen we graag aan de levendige werkelijkheid en aanschouwen we de lokale medemens in zijn habitat van op afstand, als dwalen we rond in een dierenpark.

Dit gebeurt doorgaans ongemerkt. Evengoed kan een verloren koppel worden geïnterpreteerd als staat het op de uitkijk voor familie, en een dralende vriendengroep worden aanzien als afscheidnemende collega’s. Witte sokken in sandalen, een overdreven korte broek en de onvermijdelijke rugzak geven vaak een hint van de ware aard van het beestje, maar uitsluitsel is er nooit.

Ook ik durf al eens te vertragen, trouwens, om op te kijken naar de mij omringende gebouwen, wanneer de zon zich net op het punt bevindt waarop ze een stad in een sprookje verandert. Of om uit te kijken naar waar de vrolijkste lach die ik in tijden heb gehoord, vandaan komt.

Sinds de recente technologische ontwikkelingen kunnen toeristen zich in de meeste gevallen evenwel amper nog camoufleren. Fototoestellen op zakformaat, waarmee we ook kunnen bellen als de nood hoog is, zijn alomtegenwoordig, selfiesticks een verlengstuk van ons eigen lichaam geworden.

Een extreme uitspatting van dit eigentijdse menselijke gedrag mocht ik gadeslaan op een zonnige zaterdag, ergens in januari. Nietsvermoedend verliet ik de Grote Markt langs de Heuvelstraat. Het was er behoorlijk druk, dus ik moest wel goed voor mij uitkijken.

Amper enkele stappen had ik gezet toen ik als aan de grond genageld bleef staan. Ik kon mijn ogen niet geloven. Op basis van het aantal benen dat ik kon tellen, dartelde een kudde van een twintigtal mensen mijn richting uit. Gezichten kon ik niet waarnemen, het waren een helgroene paraplu en verder alleen maar het blinkende metaal aan de achterzijde van moderne telefoons die kwamen aangewandeld.

Toerisme van de toekomst dus, maar niet helemaal zoals ik het mij had voorgesteld. In mijn verbeelding lopen we over enkele decennia in slimme kleding rond die alle impulsen uit onze omgeving kan opslaan, zodat we elke wandeling, elk gesprek desgewenst en naar believen kunnen herbeleven. Kledingstukken die ons ook meer informatie kunnen aanleveren over al wie ons voorbijloopt, wie van hen vrijgezel is en mijn interesses deelt bijvoorbeeld.

De manier waarop deze groep onze stad komt bezoeken, staat daar mijlenver vanaf. Elke stap die ze zet, wordt gefilmd. Brussel, in al haar facetten, wordt gezien op een scherm van maximaal tien bij vijf centimeter. Belevenis noch ervaring keren terug huiswaarts, enkel registratie. De videobestanden eindigen wellicht in een map ‘Belgium’, of misschien wel ‘Europe’, op ieders computer. In het beste geval worden ze nog vijf maal aangeklikt.

Licht verward, maar deze voor mij nieuwe levensfilosofie eerbiedigend zet ik enkele stappen opzij. Pas wanneer het twintigtal voorbij kuiert, zie ik dat het om Japanners gaat. Uiteraard, denk ik, in het land van de rijzende zon is toekomst altijd sneller heden dan bij ons.

Het is pas later – ik zit op de tram huiswaarts – dat het schaamrood op mijn wangen verschijnt. In de weerspiegeling van het raam zie ik de donkere randen onder mijn ogen. Het is ten slotte zaterdag, wat impliceert dat er een vrijdagnacht aan voorafgegaan is, en het artificiële licht in het ondergrondse transport heeft de kwalijke gewoonte alle schoonheidsfoutjes sterk te accentueren, terwijl onze eigen kwalijke gewoonte eruit bestaat ons spiegelbeeld te bekijken waar en wanneer we kunnen.

Enkele goed uitgezakte wallen, tot daar aan toe. Maar, vraag ik mij plots af, is dit echt het gezicht dat zonet werd vastgelegd op enkele tientallen videocamera’s? En was dit dan met gefronste wenkbrauwen, of eerder met verschrikte en wijd opengesperde ogen? Lag mijn haar dan op zijn minst in zijn plooi?

Ik zal het wellicht nooit weten, want een Japanner op rondreis in Europa blijft hoogstens een dag of twee in onze hoofdstad plakken. Misschien is hun bus zelfs al onderweg naar de luchthaven. Gelukkig verdwijnen deze video’s in een duister hoekje op de harde schijven van ettelijke Japanse computers.

Tenzij, natuurlijk, in Japan na elke reis de familie traditiegetrouw wordt opgetrommeld om samen de jaloersmakende buitenlandse avonturen op groot scherm te bekijken. En wordt nadien op het werk tijdens de lunch een kijkuurtje georganiseerd voor de geïnteresseerde collega’s. En verschijnen er uitgebreide en becommentarieerde samenvattingen van hun opmerkelijke trektochten op YouTube.

En ja, hoeveel andere Japanners hebben mij al gefilmd tijdens mijn talloze wandelingen langs de Grote Markt – wellicht de meest op beeld vastgelegde stenen van Brussel.

Wie weet ben ik wel big in Japan.

Deze bijdrage verscheen eerder op BXLEN – Brussel blog.

Share