Mag dat nog gevraagd worden.

Tweeëntwintig maart tweeduizend zestien was eergisteren.
Vandaag leef ik nog steeds in mijn stad.
Brussel is in vele staten. En de hele wereld kijkt mee.
Gebombardeerd, door Brusselaars. Mag dat wel geschreven worden?
Onder vuur, door buitenlandse pers. Mag dat wel gezegd worden?
En nog steeds de vraag: waarom is dit gebeurd?
Mag dat nog gevraagd worden?

Waarom besluit iemand om zijn eigen stad aan te vallen? Zonder emotie. Zonder aarzeling.
Waarom wordt er na deze donkere dag op de ene plaats gehuild, gevloekt en geknuffeld, en op de andere plaats gefeest?
Waren we niet één stad? L’union fait la force?
Of moeten we dat denken, omdat we geen problemen aankunnen.  Of omdat we er al te veel hebben. Of omdat dat nu eenmaal de enige uitweg is?

Zijn we niet te braaf hier, in ons chocoladeland?
Suf gewiegd op een zee van formidabele trappist en verdronken in een pot grandioze moules frites.
Wie heeft deze monsters gemaakt?
Zijzelf?
Ouders? Vrienden? Omgeving? School? Geloof? Stad? Land? Welk land?
Wie heeft ze gekweekt en gevoed?
Hoeveel zijn er nog? Worden er nog bijgemaakt?
Gekweekt, mag dat wel zo gezegd worden? Het lijken wel pionnen uit Stratego. Zielloze robotten op missie. Gekweekt dus.

En dan nu? Weer onze profielfoto’s kleuren met stroken van een gekwetste nationaliteit?
Helpt dat nog? Heeft dat eigenlijk ooit geholpen?
Bang zijn we niet, zoveel is duidelijk. Deze keer zijn we boos.
Boos en wakker. In de war met zicht op scherp. ‘Je suis sick of this shit.’
We komen op straat. Op onze straat. De straat van alle Brusselaars.
Waar plaats wordt gemaakt voor warmte en troost. Tranen en knuffels.
En vragen. Ook al is er geen antwoord.  Want vragen staat vrij.
En twijfel is het enige wat ons onderscheidt van zij die blind gekweekt worden.

Share