Na het rookverbod, een autoverbod?

Het is het jaar 2003. Ik ben 13 jaar oud en pendel dagelijks naar Brussel. Op de overvolle trein is het zoeken naar een zitplaats. Ik worstel mij door een paar wagons, maar vind geen zitplaats. Ik geef het op en neem plaats in de rokerscoupé. Geheel uit vrije wil, omdat ik niet niet in het gangpad wil gaan staan, en omdat ik niet beter weet. Net als de man tegenover mij, die er geen probleem van maakt om te roken in de buurt van een minderjarige: omdat hij niet beter weet.

Het lijkt bijna ondenkbaar dat er 13 jaar geleden nog gerookt werd op de trein. Amper vijf jaar geleden werd het rookverbod ook naar de horeca uitgebreid. Een vastgeroeste gewoonte die we nooit zouden kunnen afzweren, omdat dit de hele sector kapot zou maken, lijkt vandaag de normaalste zaak ter wereld. Een oude gewoonte inruilen voor een nieuwe is nooit leuk. We maken ons op voorhand graag druk over de vrijheden die we zullen moeten opofferen. Achteraf blijkt het steeds mee te vallen en beseffen we plots dat het de passieve roker is die jarenlang zijn vrijheid heeft afgestaan.

Bram+Algoed,+autoverbod

Vrijheid voor de stadsbewoner

Nog zo’n gewoonte is het autogebruik in de stad. Momenteel is de wagen er alomtegenwoordig, maar dat valt minder en minder te verantwoorden. Met enkele uitzonderingen – inwoners die 100 procent het recht hebben op het gebruik van een (eigen) auto – kan de grote meerderheid niet argumenteren waarom net zij het verdienen om met een wagen in de stad te rijden. Niet alleen is een auto ontzettend vervuilend (smog is geen neveneffect van de stad, maar van de auto), maar  ‘het ding’ eist op de koop toe twee derde van de publieke ruimte op. Bovendien staat een wagen meer dan 90 procent van de tijd geparkeerd. Argumenten als ‘gebruiksgemak’ en ‘comfort’ wegen hier echt niet tegenop. Een stad is in de eerste plaats bedoeld om te leven. De slechte luchtkwaliteit en het gebrek aan ruimte maken haar onleefbaar. Hoog tijd om deze slechte gewoonte naar de prullenmand te verwijzen.

Flexibiliteit tonen, alternatieven bieden

We moeten overstappen naar flexibele mobiliteit. Per verplaatsing ga je nadenken welk vervoersmiddel het meest geschikt is.

Minder dan twee kilometer? Dat doe je gewoon te voet. Jouw tienduizend stappen heb je meteen gehaald en die zeldzame Pokémon krijg je er gratis bij. Minder dan tien kilometer? Dat gaat vlot met de fiets, jouw dokter had je toch aangeraden om minstens 30 minuten per dag te bewegen? Potentieel is dat ook het snelste vervoersmiddel, als de infrastructuur nu nog even mee zou willen. Ben je toch niet goed te been of is het hondenweer? Dan neem je de bus, tram of metro.

Het gebruik van de auto ontmoedigen is een volgende stap. Steden als Kopenhagen en vooral Amsterdam hebben ook niet gewacht op de goede wil van hun inwoners om de stad autoluw te maken. Dat hebben ze opgelegd met ogenschijnlijk radicale ingrepen. Een ambitieus parkeerbeleid, waarbij het soms twee jaar wachten is op een parkeerkaart. Het gevolg is dat mensen geen twee maar drie keer nadenken voor ze met hun auto de stad inrijden. Recht vooruit, die Nederlanders!

We moeten slaan én zalven. Je kunt niet enkel iets verbieden, als je geen waardig alternatief aanbiedt. Voetgangerszones en een streng parkeerbeleid moeten gekoppeld worden aan een doordacht netwerk van openbaarvervoer, met vlotte verbindingen naar transitparkings. Bovendien verdient de fiets een evenwichtig deel van de openbare weg, met brede fietspaden, fietsbruggen en fietsstraten.

Het is het jaar 2016. Ik ben 26 jaar oud en fiets dagelijks door Brussel. Ik worstel mij door het verkeer, op zoek naar een vrij stukje fietspad. Ik geef het op en schuif aan in de file. De auto voor mij jaagt CO2 en heel wat andere troep door mijn longen, omdat hij niet beter weet. En ik? Ik blijf fietsen, omdat ik geloof in beterschap.

Bram Algoed is animator, illustrator en stripmaker. In zijn Brusselse atelier kreeg hij al bezoek van Bruzz. Deze gastbijdrage verscheen eerder op Lambyk, de blog van Kwinten Lambrecht.

 

 

Share