Terug naar Maalbeek

Vandaag moet ik naar metro Maalbeek. Het schiet als eerste door me heen bij het ontwaken. Het maakt me een beetje zenuwachtig. Sinds de aanslagen, nu zeven maanden geleden, ben ik er nog niet geweest.

Maalbeek (c) De rode valies

Ik heb niet veel te zoeken in de rijke Europese wijk. Maar vandaag moet ik naar een infosessie over de groepsverzekering. Een moeilijke materie. Praten met werknemers over hun overlijdensverzekering vind ik ook altijd moeilijk. Het is delicaat om hen te vragen wat ze na hun dood willen nalaten en aan wie. Ze denken niet graag aan doodgaan, laat staan aan hun nalatenschap. Zelf sta ik er elke dag bij stil. Dat het misschien vandaag voorbij kan zijn. Zoals die ochtend voor twintig mensen in metro Maalbeek om elf na negen. Ik ben blij dat het net iets later zal zijn wanneer ik daar aankom.

Bij de bushalte voor mijn huis stap ik op de dertien. Er is veel leven op de bus, een kleuterklas op uitstap. Ik zie een oude meneer achteraan gekke bekken trekken naar de kleuters. ‘Laat die meneer met rust!’ zegt de juf. Maar de meneer gebaart dat hij het niet erg vindt. Even later zit ik op de metro tegenover twee twintigers. ‘Zouden zij terroristen kunnen zijn?’ vraag ik me af. De volgende halte stapt een vriend van hen op. Ze beginnen met elkaar te vechten. Een beetje stompen en treiteren, ik kan altijd vol verbazing kijken naar deze vorm van vriendschap.

We stoppen in Beekkant, ik moet overstappen. Nu zit ik tegenover Paulus de Boskabouter: klein, dik, kalend en grijs. Stevige frak aan, een ribfluwelen broek. Hij leest in de Franstalige Test Aankoop een enquête over zaagmachines. Hij ziet er niet uit alsof hij er kwade bedoelingen mee heeft. Ik vermoed dat hij boswachter is. Naast hem aan de overkant zit een mooie slanke vrouw met dik zwart krullend haar en felrode lippenstift. Ze leest een boek waarvan de snede zwart is. Haar kledij is ook zwart. Met een balpen zo rood als haar lippen onderstreept ze zinnen. Ik verbaas me erover dat zij en de boskabouter tot dezelfde soort behoren.

We komen aan in Maalbeek. Er zit bijna niemand op het perron. Er stapt bijna niemand op. Zouden mensen dit station nog mijden? Je kan makkelijk uitwijken naar de nabije stations Kunst-Wet en Troon. Even heb ik dat ik ook overwogen. Maar dit was de meest nabije halte. Op het perron sta ik stil, kijk om me heen. Het is heel smal. Ik kan me de hel van 22 maart voorstellen. Maar er is geen spoor meer van te zien. Juist dat vind ik verontrustend: het is hier allemaal zo clean.

Met de trap ga ik naar boven. Daar liggen bloemen, bij een gedenkmuur met handgeschreven namen en boodschappen. Ook hier is het rustig, niemand te zien. Alleen een werkman brengt met zijn fluogeel pak wat leven tussen de zwijgende witte tegels. Even staakt hij zijn bezigheden om stil te staan bij de doden, te lezen wat voor hen op de muur geschreven staat. Ik neem de trap naar boven. Op straat komt een grote blonde dame gehaast voorbij. Ik bevind me nog in de stilte van deze beladen plek, langs haar raast het verkeer door de Wetstraat. Even, in haar haast, werpt zij een blik naar binnen. Ik zie: zij denkt hetzelfde als ik.

maalbeek_tear_2

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Share