Stadsmens zonder taboes of dogma’s

Luckas Vander Taelen is Brusselaar sinds 1980 en wellicht al bijna even lang een bekende Brusselaar. De schrijver, muzikant, reportagemaker, historicus en gewezen parlementariër is van vele markten thuis en niet te vast te pinnen op één bezigheid of passie, en evenmin tot één politieke stroming of ideologie.

Het boek De trek naar de stad (2010) is een absolute aanrader onder de klassiekers over de stad. Het staat prominent in de boekenkast van politici als Theo Francken (staatssecretaris voor asiel en migratie, N-VA) en Sven Gatz (Vlaams minister voor Brussel, Open VLD). Daarin beschrijft de Canadese auteur Doug Saunders hoe steden al decennia een aantrekkingspool zijn voor binnen- en buitenlandse migratie, hoe steden daardoor veranderen maar ook hoe de wereld daardoor verandert  – en er volgens Saunders economisch op vooruit gaat.

Dat massale migratie met name Brussel diepgaand veranderd heeft en voor uitdagingen stelt, is ook Luckas Vander Taelen niet ontgaan. Twee derde van de Brusselse bevolking heeft grootouders die niet in dit land geboren zijn. Als groen politicus liet Vander Taelen zich in 2009 opmerken met een vrije tribune over een aantal samenlevingsproblemen. “Het is de verdienste van links geweest om meer aandacht te vragen voor discriminatie en sociale achterstand. Het probleem ligt jammer genoeg dieper: we zijn bang geweest om onze waarden op te dringen aan allochtonen. Die waarden zijn mij echter te dierbaar om ze verloren te laten gaan.”, zo schreef hij in De Standaard.

Die zat! Het kostte hem op lange termijn zijn politieke vel en was ook het begin van zijn beruchte aanklachten tegen Brusselse wantoestanden zoals de problemen in multicultureel Brussel en binnen de moslimgemeenschappen – lang voor er bij het brede publiek ook maar sprake was van besef van IS en homegrown religieuze radicalisering.

Hij kaartte ook de Vlaamsvijandigheid, de sclerose en de bestuurlijke versnippering aan die elk doortastend beleid tegenhouden bij de Brusselse politieke klasse, enkel gericht op eigenbelang en politiek lijfsbehoud. En de desastreuze stadsplanning in de jaren 50 van de vorige eeuw. De bestaande stad is in Brussel vaak moeten wijken voor ‘het verblindende geloof in de zogenaamde ideale stad’, schrijft hij daarover verontwaardigd.

Het opiniestuk uit 2009 markeert het begin van zijn strijd tegen de ‘politieke correctheid’. Geen gemakkelijk ‘anti-poco’-geroep om het debat stil te leggen of om zonder nuance of fatsoen te gaan schelden voor five minutes of fame, maar een nauwgezette analyse van wat fout gaat en toch taboe lijkt te blijven. Gebaseerd op vele boeiende “participerende observaties”, ervaringen en gesprekken. Want sinds hij in Vorst woont heeft hij het gevoel “dat hij de stad voor zijn ogen ziet veranderen”.

We spreken af in gemeenschapscentrum De Markten. Kwatongen zouden zeggen: een epicentrum van politieke correctheid. Aangezien zijn analyses over de Brusselse problemen stilaan bekend zijn, vraag ik hem of hij nog wel graag in een stad als Brussel  woont. Want dat hij een stadsmens is, dat staat buiten kijf.

“Brussel is de enige stad waar ik mij goed voel”, vat Vander Taelen het gesprek aan. “Ik hou van grootsteden. Ik kom uit Aalst en heb dus nooit iets anders gekend dan een stad. Het platteland heeft me nooit aangesproken. Aalst heeft bovendien een bijzondere band met Brussel. Hoewel Aalst in Oost-Vlaanderen ligt is het eigenlijk een Brabantse stad, die meer gericht was op Brussel dan bijvoorbeeld op Gent. Bovendien ben ik francofiel en hou ik van meertaligheid – en dat maakt Brussel zeer boeiend voor mij.

Ik heb hier gewoonweg een grootstadsgevoel dat ik niet voel in Gent of Antwerpen. Al weet ik natuurlijk ook wel dat Brussel nog steeds een kleine stad is. Buiten Brussel zou ik wel in Parijs willen wonen, of in Londen of New York. Ik zou natuurlijk wel in Gent kunnen wonen – Gent is een zeer aangename stad – maar ik zou er toch iets missen. Maar in een kleine provinciestad zou ik niet meer kunnen wonen – en dat bedoel ik echt niet denigrerend.”

Hoe zou u dat ‘stadsgevoel’ omschrijven?

Hier voel ik de anonimiteit die ik met een grootstad associeer. Dat hangt samen met de dichtheid en verscheidenheid van deze stad: je hebt heel veel verschillende Brusselaars, qua culturele achtergrond onder meer, die dicht bij elkaar leven en moeten leven. Meestal is het fascinerend, maar het is natuurlijk niet altijd gemakkelijk.

Mensen buiten de stad vinden het soms gek of jammer dat ik mijn buren niet ken. Ik vind dat helemaal niet erg. Er is wel een buurtfeest, en sommigen komen daarnaartoe en leer je kennen, anderen niet. So be it, prima.

Doordat je mensen niet kent, weet je niet welke talen ze spreken – soms hoor je toch Nederlands als je het net niet verwacht – of welke verhalen ze met zich meedragen. Dat alles zorgt voor iets spannends, voor iets verrassends. En dat mis ik op de meeste plaatsen buiten de stad. Ik geloof nog altijd dat de toekomst multicultureel is. Ik denk dat er bijna niemand in mijn straat in Brussel geboren is. Brussel is na Dubai de meest diverse stad ter wereld, diverser dan Parijs of Londen.

Is Brussel wel spannend genoeg? Elke stad heeft voordelen en nadelen. Wegen de voordelen wel op tegen de nadelen?

Neen, ik vind Brussel niet spannend genoeg, al is er de laatste jaren veel veranderd ten goede. Er is wel zeer veel cultuur. De Vlaamse culturele instellingen en een bepaalde generatie Vlamingen, denk aan Anne Teresa De Keersmaeker, Wim Vandekeybus, Arno, Marc Didden, Dominique Deruddere, hebben enorm veel verdienste aan de Vlaamse en culturele revival van Brussel.

En er zijn natuurlijk ook de hippe cafés, die van Frédéric Nicolay bijvoorbeeld. Sommige, zoals de Bar du Matin in Vorst, waren minder dan 10 jaar geleden nog helemaal anders. Maar buurten hebben wel zo’n cafés nodig en veel buurten hebben niks dat mensen echt aantrekt. Ik denk aan het Sint-Denijsplein in Vorst dat in de media kwam met de klopjacht op terreurverdachten. Dat plein is marginaal en intriest, daar moet wat vrolijkheid komen.

Bestuurlijk kan het ook beter.

Brussel lijkt een grootstad tegen wil en dank. Parijs is een echte grootstad, terwijl Brussel vaak een provinciaal nest blijft. Sommigen vinden dat charmant, maar mij stoort het mateloos. Zoals wanneer ik 17 minuten moet wachten op een tram, om maar iets te zeggen. Misschien maakt dat Brussel uniek.

Net zoals die 19 gemeenten, dat is letterlijk 19de eeuws. De echte stad is op een andere manier geëvolueerd als haar structuren en als haar politici die zichzelf maar wat wijsmaken. Dit systeem met 19 gemeenten is niet meer houdbaar voor een stad van meer dan een miljoen mensen. De politici houden een façade van bestuur en beleid in stand, maar het is een Potemkin-dorp. Als ik de fratsen en de zelfingenomenheid zie van Mayeur of Picqué, dan zie ik het beeld van het orkest van de Titanic opdoemen.

Stel je voor dat Parijs bestuurd zou worden zoals Brussel. Dat zou een ramp zijn. Kijk naar de mobiliteitsproblematiek, of de manier waarop Brussel stad het centrum verkeersvrij heeft gemaakt zonder veel overleg met de andere Brusselse gemeenten. Kortom, maak een systeem zoals in New York, Londen, of Parijs, met boroughs of arrondissements.

Is het niet gewoon fijn om te midden van het spannende van de stad ook iets herkenbaar en vertrouwelijk te hebben? Een café en een bakker?

Natuurlijk, dat is het wijkgevoel. Ik verwijs graag naar Eric Coryn, die stelt dat Brussel tientallen, zeer verschillende wijken heeft met eigen kenmerken en problematieken. Kleiner dan gemeenten maar soms ook gemeentegrenzen-overschrijdend. Op dat niveau kan je inspraak organiseren. Ik zeg niet dat er overal raden moeten komen – Brussel is vooralsnog  geen Sovjetrepubliek – maar het zou interessant zijn om een soort arrondissementsraad te hebben, samengesteld uit de verschillende wijken.

Je geeft kritiek op wat in Brussel fout gaat. Promoot je Brussel ook?

De realiteit is dat Vlamingen door de geschiedenis van dit land gewoon zijn om buiten de stad te wonen: door politieke keuzes omtrent ruimtelijke ordening en de uitbouw van de spoorwegen wilde men vooral vanuit katholieke hoek de vorming van ‘rode’ banlieues vermijden en de Vlaming liever onder zijn kerktoren houden. Het gevolg is dat heden ten dage werknemers soms meerdere uren per dag pendelen om in een stad te werken en dan terug naar het veilige nest te gaan. Ik vind dat hallucinant. Want in de stad wonen is niet enkel aangenamer – want dat is misschien subjectief – maar ook efficiënter en ecologischer – en dat is objectief.

We hoeven ons geen illusies te maken. Binnen dit en 20 jaar is Vlaanderen één stad. Ik juich dat toe, maar tegelijk ben ik zeker gevoelig voor wat er leeft bij Vlamingen die opgroeien in een dorp of kleine stad, en dan dat dorp helemaal ziet veranderen. Aalst bijvoorbeeld wordt een voorstad van Brussel, of je dat nu wil of niet.

Maar als antwoord op je vraag: in het verleden heb ik, op vraag van Brigitte Grouwels, nog wel eens een film gemaakt om de mooie en leefbare kanten van Brussel te tonen, vooral de kanten die veel mensen buiten Brussel niet kennen. Zij stelde immers ook vast dat er heel wat vooroordelen bestaan over de hoofdstad.

Zowel het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen van de Vlaamse regering als uitspraken van de Vlaamse Bouwmeester plaatsten bouwen, verkavelen, kernversterking en verdichting in het publieke debat. Kunnen we de open ruimte wel vrijwaren als alles verstedelijkt zoals u voorspelt?

Er is nu eenmaal een bevolkingstoename, dus steden zullen uitbreiden en er zal steeds minder platteland zijn. Ik wil zeker niet alles volbouwen: open ruimte is nodig, en dat kan zowel buiten de stad als binnen de stad. Denk aan het Terkamerenbos of aan de meer dan 20 parken in deze stad.

We moeten vooral verkavelingen aanpakken. Dat kan net door de steden verder te ontwikkelen. Ook in de hoogte: er is niks mis met hoogbouw. Ik snap wel de afkeer van hoogbouw omdat er in Vlaanderen en Brussel zo veel fout is gegaan met afschuwelijke woonblokken.

Is hoogbouw altijd en overal aangewezen?

Kijk, deze stad kent een gigantische bevolkingstoename van 20 procent. Daar kan je alleen mee omgaan vanuit een globale visie. Je moet altijd goed nadenken als je een gebouw of een buurt laat ontwikkelen. Wie komt daar wonen? Wat hebben die mensen nodig? Mobiliteit is sowieso een basisbehoefte, dus daar moet je altijd rekening mee houden. Ik heb geen probleem met woontoren UP-site aan het Kanaal, maar is er gedacht aan een tram of metro vlakbij? Niet dus. Dat is typisch Brussel: eerst laten bouwen en dan zien we wel.

Upsite (c) Metal Yapi

Dat laissez-faire komt ook terug als het over sociale mix en gettovorming gaat.

Onlangs schreef ik een vrije tribune bij de aankondiging van nieuwe woningen in de Heyvaertwijk in Molenbeek. Die buurt is reeds monocultureel-Marokkaans  en heeft een hoge graad van werkloosheid. Negentig procent van de woningen zijn sociale woningen en er zouden nog sociale woningen bij komen.

Die gevaarlijke mix potentieel vergroten door nog van hetzelfde soort woningen toe te laten is toch het allerslechtste wat kan gebeuren? Ik ben dan eerder voor het Amerikaanse systeem: er wordt gewerkt aan sociale mix door mensen te stimuleren om te verhuizen naar andere stadsdelen door een huursubsidie of door een sociale woning elders in de stad. Zo komen mensen uit bijvoorbeeld Molenbeek in een meer gemengde buurt en de kinderen in een meer gemengde school.

Maar uiteraard is dat niet wenselijk volgens sommige politici: ze verliezen dan kiezers in hun eigen kleine gemeentelijke kieskring die ze met het nodige cliëntelisme kunnen bejegenen. Daartegenover staat de instroom van andere, meer welgestelde groepen die hun politieke macht zou kunnen aantasten.

Sociale mix betekent ook dat Brusselaars met een ander profiel in die moeilijke buurt gaan wonen. Dat is evenmin evident.

Fiscaliteit wordt in België enkel repressief gebruikt maar kan ook een fantastisch instrument zijn. Als jij zou horen dat er net voorbij het Kanaal in Molenbeek grote appartementen te koop zijn, vlakbij een speeltuin, waar je veel minder belastingen betaalt, ga je wel tweemaal nadenken. Burgers voelen bovendien dat politici daarmee bezig zijn vanuit een visie. Ze zijn niet bang van diversiteit, ze zijn bang van monoculturele en verloederde buurten.

In New York zijn verschillende buurten zoals de Bronx beter geworden door gentrificatie, door druk op de woningmarkt. In Brussel is er nog veel leegstand. Daardoor is er minder druk op de woningmarkt.

Men zou gezinnen naar de stad kunnen lokken als men bereid zou zijn om te investeren op een bepaalde manier. Maar er zijn zoveel vastgeroeste denkbeelden, bijvoorbeeld over gentrificatie. Er is politieke moed en creativiteit nodig.

Meer gentrificatie mag in Brussel?

Meer gentrificatie is nodig in Brussel! Want met bepaalde instrumenten die ik aanhaalde hoeft dat niet asociaal te zijn.

Je spreekt een beetje smalend over het café L’escale als voorbeeld van tristesse en marginaliteit. Zullen er niet altijd ‘marginale’ cafés en buurten zijn in een grootstad?

Ik heb niks tegen marginaliteit. Brussel moet geen ‘doodgegentrificeerde’ middenklassestad worden. Ik wil alleen dat de stad leefbaar blijft, dat de marginaliteit niet overheerst. Op bepaalde plaatsen in Brussel is dat wel zo. Maar sommige politici willen dat niet zien of benoemen.

U hebt het over een “opvallende en bijwijlen haast principieel lijkend gebrek aan belangstelling over wat in andere steden is gebeurd op vlak van urbanistische politiek”. Van welke steden kan Brussel iets leren?

Van vele steden! Valencia is boeiend. De bekende architect Santiago Calatrava – bekend ook van het station in Luik – heeft er heel wat gebouwen ontworpen maar ik haal Valencia vooral aan omdat ze een stroom hebben drooggelegd en een park hebben aangelegd van 15 km lang. Schitterend!  Sowieso zijn er veel Franse steden zoals Bordeaux en Straatsburg, met trams in eigen bedding, die ten goede veranderd zijn de laatste jaren. Je moet aan cherry picking doen. Ik vind het warm water niet uit, maar als je sommige dingen hier voorstelt denken mensen dat je van Mars komt.

Kijkt een historicus anders naar een stad?

Ja, maar dat heeft ook met leeftijd te maken: het voordeel van ouder worden is dat je meer perspectief hebt en als historicus ben ik uiteraard nieuwsgierig naar de Brusselse historiek.

Ik kwam hier wonen in 1980 – ik kan dus wel wat vergelijken – en las toen veel over de recente geschiedenis van deze stad. Zeker de nadagen van Expo 1958 waren fascinerend: de Noordwijk werd platgegooid en voor de aanleg van de Noord-Zuidverbinding jaagde men 11.000 mensen rond de Sint-Goedelekathedraal uit hun woningen. Ik zag in de stad herinneringen aan wat ik las. Hele woonwijken zijn verdwenen door rampzalige beslissingen. De Antwerpsesteenweg in de Noordwijk was een levendige en commerciële ader van de stad.

Ik ben geen nostalgische historicus omdat het verleden beter was, maar omdat men weigert te leren uit de fouten uit het verleden: men heeft dingen laten verkommeren of bewust vernield en we hebben niks van enige waarde in de plaats gekregen.

De gekste plannen hebben bestaan. Er was het idee om tussen de beurs en het Zuidstation drie enorme woonblokken van 30 verdiepingen te maken. Dat toont de waanzinnige, nefaste invloed van Le Corbusier. Gelukkig is dat niet doorgegaan. die modernistische visies op stadsplanning en blauwdrukken van de ideale stad vond je overal en bij alle ideologische strekkingen.

Noordwijk (c) BRAL

Zijn migratie en de stadsontwikkelingen die je aanhaalt – stadsontwrichtingen vooral – determinerend geweest voor Brussel en de stadsvlucht van de voorbije decennia?

Ik denk het wel. Migratie is zeer complex – het is echt niet enkel een verhaal van Marokkanen en Turken – en ook een beetje dubbel. De multiculturele samenleving hoeft niet per se harmonieus te zijn, noch  conflictueus. Dat heeft men aan de linkerzijde verkeerd ingeschat. Men zag enkel de culturele verrijking en dacht dat het allemaal makkelijk en harmonieus zou verlopen: iedereen bij elkaar op de koffie. Maar dat is in de geschiedenis veeleer de uitzondering. Conflict en wrijving is eerder de regel. We kunnen daarmee om, we kunnen die conflicten vermijden en oplossen, maar dan moeten we wel de problemen durven te benoemen. Sofie Peeters was een studente bij mij aan het RITCS, toen ze haar reportage Femme de la Rue maakte. Ze werd meteen gediscrediteerd als een agente van de middenklasse die de allochtone onderklasse zou aanvallen. 

U hebt het in uw teksten wel over onze westerse normen en waarden, over een beschavingsoffensief. Hoe ziet u dat concreet?

Ik geloof in de universaliteit van bepaalde waarden. Waarden in onze maatschappij die voor iedereen en overal zouden moeten gelden. Gelijkheid van man en vrouw, scheiding van kerk en staat, bepaalde evidente vrijheden in het dagelijkse leven, zeker voor vrouwen. In Molenbeek mogen sommige moslimvrouwen de deur niet uit en worden meisjes onder druk gezet om vooral niet verder te studeren. In sommige kleuterscholen zijn er zelfs spanningen tussen kinderen omdat ze niet gewoon zijn dat jongens en meisjes op dezelfde manier behandeld worden. Dat is meer dan één stap achteruit, dat moeten we durven te zeggen.

Maar hoe overtuig je mensen die niet van die waarden doordrongen zijn?

Door opvoeding en door onderwijs. En door problemen te benoemen. Als dat niet kan, komen we er nooit.

Van Luckas Vander Taelen verschijnt binnenkort bij Houtekiet Mijn gedacht. Opinies over Brussel & andere belangrijke zaken. In het verleden publiceerde hij al De grote verwarring (2016, Houtekiet), Brussel: een politiek incorrecte schets (2012, Van Halewyck) en Brussel!: De tijdbom tikt verder (2011, Houtekiet). Als muzikant staat hij op 3 mei op het podium met zijn groep Lavvi Ebbel in het RITCS-café tijdens een benefietconcert voor Tom Van Herzele, assistent van de vakgroep documentaire. Hij is actief op Twitter (@LuckasV1) en Facebook.

Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Luckas Vander Taelen verscheen in het januarinummer (nr. 223) van het maandblad Meervoud.

Share