Een eeuw Belgische designgeschiedenis, tussen onbekend=onbemind en belgitude

ADAM, Art & Design Atomium Museum, of ook Brussels Design Museum, naast het Atomium, bestaat 18 maanden en voelt zich volwassen worden. Het komt naar buiten met haar eerste eigen productie die tegelijk naar eigen zeggen haar eerste echt belangrijke tentoonstelling is.

“C’est plus qu’une expo, c’est un travail muséal”, zegt co-curator Thierry Belenger. Een werk met museale allures, en het onderzoek dat voorafging en de toon zet, lijkt vooral te komen van Katarina Serulus, doctoranda aan de Universiteit van Antwerpen die de relatie onderzocht van design met economische en politieke invloeden.

 

Wat we hier te zien krijgen, is een chronologisch overzicht van de ontwikkeling van het Belgisch design vanaf Art Nouveau aan de eeuwwisseling tot 1986/87, wanneer Josine des Cressonnières sterft en het Brusselse Design Centre ophoudt te bestaan. De meeste objecten hier ( stoelen, zetels, kasten, bestek, glaswerk, logo’s, een maquette van de metro en een tapijt van Henry van de Velde onder andere) zijn praktisch voor het eerst te zien, vaak komen ze uit privé-collecties.

 

Na 1830 zoekt België naar een identiteit, en er komt kritiek op de neo-stijlen en de smaak van het Ancien Régime die dan in zwang zijn. Art Nouveau zal hier abrupt mee breken en ons land op een geweldige manier op de kaart van de moderniteit zetten. België sloeg immers op de populaire Wereldtentoonstellingen geen al te goed figuur, en herpakte zich door hervormingen in het onderwijs en de kunstinstellingen die mee tot de bloei van de nieuwe stijl zouden leiden. In Brussel kon je bijvoorbeeld aan de nieuwe Académie des Arts Décoratifs gaan studeren, waar het onderscheid tussen hoge (Beaux Arts) en lage cultuur werd afgebroken en waar het ambacht, zoals de sgraffito-techniek, gevaloriseerd werd, te zamen met een flinke duw in de rug van het feminisme en de vrouwen die ook konden en wilden studeren.

 

De stijl kan tellen als startpunt. Totaalkunst, kunst voor overal en iedereen, van maisons du peuples tot somptueuze herenhuizen, van deurklink tot huisgevel. Een volledig esthetisch vocabularium, verschillend van kunstenaar tot kunstenaar omdat individualiteit belangrijker was dan uniformiteit. Een stijl die zowel achterom- als vooruitkeek en het beste van alle werelden trachtte te verenigen, zowel het eerder genoemde ambachtelijke en menselijke als het resoluut moderne, het glas en staal, het gas, de electriciteit, de fotografie, de telefoon, … Horta’s verblindende bureau met stoel voor de expo in Turijn staan hier te pronken en maken de tentoonstelling in feite al op zich de moeite van het bezoeken waard.

 

Art Nouveau kon bestaan door de interesse en steun van de rijke bourgeoisie, niet door die van de overheid, en veel zal veranderen wanneer die overheid de dingen mee gaat beginnen sturen. Als de wereld herbegint, na WOI! komt er meer nationale promotie van design, dat zich grofweg beweegt tussen avant-garde, commercieel succesvolle art deco en Henri van de Veldes gematigd modernisme. Via die art deco krijgt onze industrie een duw in de rug, en met de oprichting van de school aan La Cambre (naast de vijvers van Elsene), met van de Velde als directeur, breekt de tweede Belgische design-periode echt aan. Van de Velde is dus van groot belang geweest. ‘t Was hij die commercieel succes in Duitsland vond, daar de school van Weimar inspireerde en aan de wieg van Bauhaus stond. Belgen, weet dit! Zijn tapijt voor Leopold III hangt hier te kijk, nooit eerder gezien. Het koninklijk bureau dat erbij hoort, zagen we al in 2013-14 op de van de Velde-retrospectieve in de Koninklijke Musea in het Jubelpark.

 

La Cambre kwam er door een politieke wil, een bewustzijn, dat in de jaren ’50 vaste voet aan de grond kreeg. De Belgische economie werd in de etalage gezet, het huisvestingsprobleem stond op de agenda, en dingen moesten betaalbaar zijn. Minister Jean Rey voerde een krachtig designbeleid vanaf ’54, toen de na-oorlogse designgekte losbarstte. We weten allemaal tot welk uniek hoogtepunt dit heeft geleid: het Atomium (weliswaar in grote mate van verval tot 2004). Het klinkt dan ook zeer to the point dat heden het ADAM tussen de schitterende hallen van expo ’35 en de bollen van ’58 ligt.

 

In de ‘gouden jaren ’60, die van mijn ouders, die ik ken van familiefoto’s met gekartelde randen en van Plaizier-postkaarten, wordt België een productiecentrum voor design. De economie boomt, alles boomt, Brussel veramerikaniseert. Grote namen als Knoll, Samsonite, Tupperware, en Philips vestigen zich in ons land, terwijl Meurop (‘meubles d’Europe’) de eerste goedkope meubels maakt, een Ikea avant la lettre.

De Italianen komen binnen via de eerste Interieurbiënnale van Kortrijk, 1968. De interesse voor hedendaags design wordt aangewakkerd.  Mensen halen het in huis. Knoll, Cassina, Artifort, Miller, Zanotta, het worden household names.

 

En toen kwam Josine des Cressonières, onze Coco Chanel, onze ambassadrice en topvrouw, die een netwerk moet hebben gehad waar een postgraduaat aan kan worden gewijd. Ze kende iedereen, zo heet het. In 1973 haalde zij voor de eerste keer Russisch design naar hier, een première voor Europa, en ze stuurde ons Belgisch design vervolgens terug naar Rusland. Ze was doordrongen van de Europese idee en belichaamde het federale België, met het Brusselse Design Centre in Galeries Ravenstein als motor van de promotie-machine, geopend in 1964. Hier primeerde een technisch-rationele visie, beïnvloed door de Ulm-school uit Duitsland, waar het kunstambacht naar de achtergrond verdween. Geen toeval dat nu nog de werkruimte van de Vlaamse Bouwmeester in Ravenstein huist.

De Ravenstein-formule werkte continu zonder noemenswaardige wijzigingen, tot aan het eind, midden de jaren ’80, wanneer de Cressonières sterft (’85) en België defederaliseert. Op deze noot eindigt ook de tentoonstelling PANORAMA.

Belgisch design is ondertussen deel van de lastenboeken gaan uitmaken, zoals voor het ontwerp van de Brusselse metro (’72-’76), die nu pas met mondjesmaat aan vervanging toe is. Stap uit de oranje stellen in station Pannenhuis, je maakt een tijdreis.

 

Een andere evolutie toen was het vervagen van de namen van de individuele ontwerpers, ten voordele van de bedrijfsnamen. De mensen achter de objecten waren ofwel Belgen, ofwel inwijkelingen die hier leefden en werkten. Ook dat is volop België.

Tegenwoordig draait het opnieuw om designer-namen, terwijl de productie net meestal ver weg getrokken is, en na een gat van een 20-tal jaren is er een nieuw nationaal label gekomen dat de promotie voert: ‘Belgium is Design’.

 

Een slagzin die klopt, kijk maar naar ‘Aboe Simbel’, de witte kast van Pieter De Bruyne uit 1974, de man die zowat het post-modernisme uitvond, nadat hij de geheimen van Egypte zegde te hebben ontsluierd. Van post-modernisme is het kort lopen naar het heden en de belgitude, wat betekent het gebrek aan eenduidige identiteit. En dat is een sterk punt.

 

 

http://www.adamuseum.be/exposition_temporaire-atomium-8-museum-nl.html

PANORAMA. A History of Modern Design in Belgium.

Van 23/06 tot 07/01/2018.

Rondleidingen op aanvraag; catalogus beschikbaar

 

Share