Brandnetelsoep

Het regent. ’s Morgens krijg ik een bericht in mijn mailbox. Iemand vraagt of ze de trip-trapstoel die ik op tweedehands.be te koop heb aangeboden, vandaag kan komen ophalen. Ze wil hem morgen schenken voor een verjaardag. Meteen overvalt me een gevoel van melancholie. Het is geen dag om de stoel waarop mijn twee dochters groot werden, weg te doen. Ik wacht met antwoorden.

Ik ga naar buiten. Een paraplu kopen. Wij hebben thuis drie paraplu’s voor vier. Dat was tot nu toe nooit een probleem. Maar vandaag wel. Ik koop een zwarte paraplu bij de Veritas in mijn straat. Dan stap ik binnen bij ‘Il Cappuccino’. Er zit maar één klant koffie te drinken. Een vrouw met blonde haren en een broek met vlinders en rozen erop en het woord ‘Love’ in zwierige letters. De eigenaar staat niet achter de bar. Ik zie hem niet. Ik ga in het hoekje achteraan zitten en lees in mijn boek. ‘Nora’ van Colm Toíbín. Zelden kies ik de boeken die ik lees. De boeken dienen zich aan. Ik ga naar de boekenwinkel of bibliotheek en laat de boekenruggen tot mij spreken. Intuïtief kies ik er een uit.

De schrijver heeft twaalf jaar aan ‘Nora’ geschreven, een verhaal geïnspireerd op het leven van zijn moeder. In het online archief van de Standaard lees ik: ‘Meestal vindt Tóibín inspiratie in de muziek wanneer hij op zoek is naar een vorm voor zijn verhalen. Met name kamermuziek en de cantates van Bach zijn voor hem erg belangrijk. De vorm van Nora Webster vergelijkt hij niet met muziek maar met de schilderijen van Agnes Martin, waarop je een heel geleidelijke, aanvankelijk nauwelijks zichtbare verschuiving ziet in kleur en patroon.’ Ik hou van Bach en van Agnes Martin. En van boeken waarin weinig gebeurt, over het gewone leven.

De man van ‘Il Cappuccino’ heeft me eindelijk opgemerkt. Ik zie dat hij blij is me te zien. Zijn warme lach verbaast me vandaag. ‘Een cappuccino?’ vraagt hij. ‘Oui,’ zeg ik. Hij brengt de koffie. Hij heeft er een bloempje in getekend. Ik denk aan de stoel van mijn dochters. Zal ik hem verkopen? Of toch voor de mogelijke kleinkinderen bewaren? We hebben niet veel plaats in ons huis. En zo bijzonder is die stoel nu ook weer niet. Ik zal me vermannen en hem verkopen. Ik zal de nieuwe eigenaar vragen naar welk kind de stoel gaat. Dat zal de pijn verzachten.

Ik loop nog even de Carrefour binnen. Tot mijn verbazing speelt er een nummer van ‘Tears for fears’, ‘Everybody wants to rule the world’. Vreemd, het is al de tweede keer in korte tijd dat ik de geliefde groep uit mijn tienerjaren in de supermarkt hoor. Ik koop uien voor de brandnetelsoep. Nog nooit heb ik brandnetelsoep gegeten. Al jaren ben ik er benieuwd naar. Maar ik durfde ze nooit goed zelf te plukken, uit angst dat ze bespoten met gif of door honden beplast zouden zijn. Gisteren heb ik via ‘La Ruche qui dit oui’ een zakje brandnetels gekocht.

Wanneer ik de Carrefour verlaat, is het aan het stortregenen. Het waait ook hard. Mijn nieuwe paraplu waait bijna binnenstebuiten. Opmerkelijk dat wanneer je een paraplu koopt, ze hem in de winkel steeds eerst even opendoen – om te controleren of hij intact is. Dat doen ze natuurlijk omdat hij vijf minuten later al kapot gewaaid kan zijn en ze hem dan niet willen terugbetalen.

Thuis steek ik kaarsjes aan. Ik luister naar Dinah (take 2) van Thelonious Monk, een nummer dat vele malen vrolijker is dan ik. De telefoon gaat. Ik neem op en hoor een telefoon overgaan. Ik haak in voor ik de televerkoper aan de lijn krijg. Ik ga naar boven. Ik draag de stoel van mijn dochters één trap naar beneden. Hij staat nu op de tussenverdieping.

De brandnetels zijn mooi. De blaadjes zijn met veel zorg van de taaiere stelen gehaald. Ze ruiken naar een wandeling in de natuur na een regenbui, gezond en wild. Ik snuif de geur op en sluit de ogen. In gedachten zie ik de man die ze me verkocht. Een magere man met lange grijze haren in een staart en een lieve lach. Met latex handschoenen aan was ik de netels. Ze prikken door de dunne handschoenen heen. Netelbeten zijn niet erg. Ze laten je voelen dat je leeft. Het is fijn dat ik mijn pijn aan de netels kan toeschrijven.

De soep pruttelt zoals het recept van de Boerinnenbond voorschrijft – met spek erin. Ik wil antwoorden op het bericht over de kinderstoel. Dat het goed is. Dat hij klaar staat. Maar het bericht is opgelost in cyberspace. Ik vind het niet meer terug. Ook niet erg. Allicht heb ik te lang getwijfeld. Er is geen tijd voor traagheid meer.

De soep is klaar. Ze is heerlijk. Even later is de zon daar.

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Share