Ruth Soenen, doctor in het alledaagse: “Elke stad zijn stadsantropoloog”

Stadsantropologe Ruth Soenen houdt ervan stedelijke ruimtes zo objectief mogelijk te analyseren. Ze verwierf bekendheid met Het Kleine Ontmoeten (2006), relaas van haar etnografische observaties in onder meer een schoenenwinkel, de cafetaria van de Hema en de beruchte Antwerpse tram 12, “een interculturele leerschool met de bluts en de buil”. Later kwam daar de (Genkse stads)bibliotheek bij. Wat hebben die ruimtes gemeenschappelijk? Het zijn publieke ruimtes in privaat beheer, plaatsen waar iedereen welkom is, maar waar wel regels gelden. De gedroomde observatieplaatsen voor Soenen.

Stadsantropologe Ruth Soenen op tram 12, observator te midden van haar onderzoeksobject (foto © Michel Delaeter)

Na enkele incidenten bij De Lijn wordt ze gevraagd om mee na te denken over de veiligheidsproblematiek. Sinds 2013 ligt de academische wereld achter haar en werkt ze helemaal zelfstandig als antropoloog-adviseur en zaakvoerder van Simply Community, dat ze oprichtte in 2008. Als raadgever vertaalt ze haar inzichten praktisch voor het bewerkstelligen van sociale en ruimtelijke verandering en werkt ze steeds meer samen met planologen, architecten en kunstenaars.

Vanwaar uw belangstelling voor dit type onderzoek?

Ik wilde iets nieuws doen. Niet om per se origineel te zijn, maar omdat een aantal zaken onderbelicht waren.

In die tijd was er veel debat, ja zelfs paniek bij intelligentsia en politici over het verval van het sociaal weefsel, “het gat in de haag”, weet je nog. Het sociaal wetenschappelijk onderzoek van dat ogenblik bestudeerde echter niet de alledaagse, korte maar wel reële en concrete contacten tussen mensen, zoals die vaak voorkomen in het stedelijk publiek domein.

Ik was ook niet geïnteresseerd in het wijkonderzoek, in de straat of het plein – dat was me al zo vaak voorgedaan -, maar in een ander soort ruimtes: de tram, de bibliotheek, de cafetaria van de Hema. In de sociale sector en ook de sociale wetenschappen had men de neiging om mensen altijd vanuit de groepsidentiteit te helpen en te benaderen: de Marokkaanse vrouw, de armere, eenzame blanke senior,… terwijl ik net geïnteresseerd was in de plaatsen waar mensen met verschillende achtergronden elkaar ontmoeten.

En ten slotte, maar daarmee samenhangend, wilde ik met mijn onderzoek vanuit die concrete praktijk vertrekken, niet vanuit abstracte sociologische en filosofische theorieën. Ik wilde documenteren wat ik zag, in alle complexiteit en vanuit de praktijk lessen trekken over gemeenschap, ontmoeten en samenleven.

Ik deed geen sociologisch onderzoek, waar je op voorhand gedefinieerde criteria hebt en dan statistische en/of causale verbanden gaat zoeken. Ik ging onbevangen kijken, zonder hypothese die ik wilde toetsen. Het kwam er op aan goed te observeren, met veel oog voor detail want details kunnen zeer belangrijk blijken, en gaandeweg gerichter te gaan kijken.

Om mijn onderzoek te beginnen las ik eerst Amerikaanse onderzoekspublicaties. Zeer nuttig, maar de helft ervan waren een soort stadspropaganda – een reactie op de grote stadsvlucht in de Amerikaanse steden in die tijd. Dat verhaal wilde ik niet brengen: ik wilde niks promoten, alleen observeren en dat beschrijven en desgevallend adviseren.

Hét uitgangspunt van uw onderzoek was wel dat er een grote variatie aan relaties bestaat. Kan je dat uitleggen?

Antropologen onderzoeken graag verwantschapssystemen en relaties zoals familie en vriendschap. Economen onderzoeken sinds de jaren 70 het belang van functionele relaties en professionele netwerken. De socioloog Mark Granovetter (°1943) beschreef ooit die twee soorten relaties. In een voetnoot voegde hij er kort aan toe dat er een derde soort was, “maar die waren volgens hem niet significant voor verder onderzoek.” Net die derde soort wilde ik dus bestuderen.

Dat lag in de lijn van Amerikaanse onderzoekers als Erving Goffman (1922-1982) en Lyn Lofland (°1973) – in de VS is er traditioneel nu eenmaal meer onderzoek over dat soort stedelijke relaties. Daar bestaat al langer een stedelijke cultuur. Goffman beklemtoonde dat ‘banale’ relaties eigenlijk schromelijk over het hoofd worden gezien in analyses. Maar zij spraken zich niet uit over samenleven of gemeenschap – dat deden enkel onderzoekers die zich met de meer diepgaande contacten bezighielden. Ik probeerde dus die twee tradities aan elkaar te koppelen.

Die eerste definitie, de gemeenschap als een collectiviteit van gelijkgezinden, of minstens van mensen met veel gedeelde kenmerken,  is de bekendste, de meest traditionele. Een familie, een politieke partij, een belangenvereniging, een religieuze gemeenschap, een café met echte habitués … vallen onder die ‘sterke’ of ‘dikke’ gemeenschap, soms ook de imagined community genoemd. Die opvatting domineert onbewust bij de meeste mensen, ook in de politieke opvattingen.

Die ‘sterke’ gemeenschap heeft voordelen, maar ook nadelen. Als je vroeger in een dorp de eerste was om uit de echt te scheiden was dat heus niet zo fijn. Bij de dynamiek van groepsvorming horen nu eenmaal ook normering, uitsluiting en bestraffing. Roddelen is bijvoorbeeld een instrument om de groepscohesie te bewaren.

Maar we kunnen gemeenschap ook (opnieuw) gaan zien als een sociale praktijk op basis van reële dagelijkse contacten en niet op basis van visies of symbolen. Dat kunnen ook eerder ‘lichte’  relaties zijn, die resulteren in een ‘lichtere’ vorm van gemeenschap die zowel ontmoeten als vermijden omvat. Behalve een tijdelijke concrete activiteit zijn er geen gedeelde eigenschappen

Daar komt het reële en alledaagse contact te midden van de diversiteit naar voren. Diversiteit is voor mij een realiteit, punt. Geen ideaal of iets dat ik positief of negatief benader. Ze is er gewoon. Bovendien zijn er vele vormen van diversiteit en mag men dat begrip niet verengen tot etnisch-culturele diversiteit.

Is er geen verschil tussen een eenmalig contact met iemand die je wellicht nooit meer ziet enerzijds, en contact op plaatsen waar een herhaling en dus opbouw van gemeenschap mogelijk is anderzijds – de bakker bijvoorbeeld?

Klopt. Sommige zijn zeer tijdelijk, sommige duren langer. De schoolpoort bijvoorbeeld, daar ontmoeten ouders elkaar en daar ontstaan zelfs vriendschappen. Een  kind kan na 6 jaar van school veranderen en dan zullen de meeste contacten verwateren.

Er zijn heel veel dergelijke contacten in je leven. Denk ook aan je collega’s, want je verandert vast wel eens van werk. Dat soort contacten is eigenlijk veel meer aanwezig in je leven dan relaties in de context van de traditionele gemeenschap. Je vormt verschillende tijdelijke gemeenschappen doorheen je leven die telkens opnieuw ontbonden worden maar sommige contacten neem je mee, andere weer niet.

Is dat typisch voor steden?

Neen. Het is wél typisch voor steden dat er een zekere anonimiteit is en dat men daar zelfs bezorgd over is. Ik ondervond net in die in die anonimiteit in de steden een voedingsbodem voor gemeenschapsvorming. Zij het dus die vorm van lichtere gemeenschapsvorming die vaak over het hoofd wordt gezien.

Op een bepaald moment zijn de overheden sociale contacten tussen mensen wel gaan stimuleren, met poetsacties en wijkfeesten om dus de zogenaamde anonimiteit te onderbreken en herkenbaarheid te bevorderen. Terwijl anonimiteit niet altijd negatief of een probleem hoeft te zijn. Het evenwicht tussen herkenbaarheid en anonimiteit is delicaat, zeker in de steden. Herkenbaarheid kan ook te ver gaan. Buurtinitiatieven in een stad kunnen leiden tot verschillende verwachtingen, dichtheid en verstikking veroorzaken, en ergernis. Teveel ‘togetherness’ dus. Dat geldt ook voor de burenrelatie, een van de meest complexe relaties die er is. Daar zit ook die ambivalentie: we kennen elkaar, zonder elkaars deur plat te lopen.

Om dat te observeren kwam ik uiteindelijk terecht bij publieke ruimtes in privaat beheer. Ook markten zijn dergelijke ruimtes maar ik ben mijn onderzoek begonnen in winkels. Je staat versteld wat daar allemaal gebeurt en gezegd wordt.

Daarna kwam de Antwerpse tram 12

Ik vond een tram interessant: veel mensen, veel bewegingen, gebeurtenissen en potentiële interacties. Een erg gelaagde situatie en dat in één overzienbare ruimte (wat voor een antropoloog erg praktisch is). Een type ruimte (mobiel, divers in mensen) en een soort sociale relatie die nauwelijks gedocumenteerd waren. De enigen die daar maar eerder vanuit een ruimtelijke perspectief over schreven waren de Nederlanders Hajer en Reijndorp en zij baseerden hun werk sterk op de concepten van de Catalaanse stadsplanner Manuel de Solà-Morales (1939 – 2012) [die overigens actief was in Leuven en Antwerpen, nvdr]. Ze stelden dat ruimtes die in privaat beheer zijn ook als publiek kunnen ervaren worden. Eigen aan de tram als stedelijke ruimte is dat het op sociaal vlak een ambigue ervaringsruimte is die zowel ontmoeting, vermijding en conflict omvat. Deze onderzoekstopics stonden op dat ogenblik niet hoog op de academische ladder. Toen het boek uitkwam werd het daarentegen wel een  hype in de media.

Is uw visie op de tram als een potentiële ontmoetingsplaats ook een argument in debatten over openbaar vervoer en mobiliteit?

Ja zeker, maar we moeten dan wel nadenken over het beheer ervan, zonder te veel te willen reguleren: hoe richten we trams in, welke opleiding geven we aan de chauffeurs, hoe zetten we in op veiligheid. Anders wordt het een plaats van – enkel – conflict.

Welk inzicht hebben uw observaties opgeleverd?

Hoewel de grote sociologen vaak met studies beklemtoonden dat er segregatie was in onze westerse steden, stelde ik vanuit een antropologische analyse in de verstedelijkte ruimte van de tram vast dat mensen die verschillen van elkaar en onbekenden zijn voor elkaar wel degelijk contacten hebben met elkaar. Ze moeten daarom niet de beste vrienden worden.  Binnen die gemeenschappelijke concrete ervaring wordt het ‘grote verschil’ minder gethematiseerd. Dat wil niet zeggen dat er geen conflicten zijn op de tram op basis van etnische herkomst. Maar spontane ‘interculturele’ contacten op het ene moment – de deur open houden voor een moslima met kinderwagen – gaan er samen met racisme en onverdraagzaamheid op andere momenten.

De meer kortstondige efemere contacten die ik bestudeerde hebben ook gevolgen: een individuele emotionele impact en een collectieve impact. Iemand die glimlacht als hij iets bestelt enerzijds of agressie in het verkeer anderzijds, dat zijn kleine dingen maar weinig mensen zijn er ongevoelig voor.

Daarnaast zijn er ook collectieve effecten, en die zijn belangrijker dan we denken. Het is de totaliteit van meerdere korte contacten die resulteren in een totaal sociaal klimaat. Zo zagen we op de tram dat kleine praatjes er uiteindelijk voor zorgden dat de latent agressieve sfeer plots omsloeg in een aangenaam sociaal klimaat, door een opeenvolging van kleine lokale interacties.

In de cafetaria van de Hema komen mensen samen om een koffie te drinken, mensen die niet veel geld maar wel tijd hebben. Dat is geen gemeenschap in de klassieke betekenis. De bezoekers bleven op hun plaats en gingen niet samen zitten, maar praten wel met elkaar over de tafels heen en wisselen zelfs tijdschriften uit. Ontmoeten gaat dus ook gepaard met afstand.

Andersom kan ook. Zo kan een slecht werkende ticketautomaat ook uiteindelijk leiden tot een gigantisch conflict, ook tot gevechten.

Tram 12 (c) Michel Delaeter

Welke factoren vergroten de kans op conflict?

Voor de sfeer is een goed functioneel verloop belangrijk. Een niet werkend ontwaardingsapparaat op de tram, stilstanden of vertraging zorgen voor ergernis. Er zijn ook de ergerniswekkende korte contacten, bijvoorbeeld iemand die niet doorschuift of niet opzij gaat, of twee plaatsen inneemt op de tram. Al die zaken zorgen voor spanning, maar mensen zeggen daar niet zo snel iets over, tot de bom na herhaaldelijke incidenten toch barst.

Er zijn universele categorieën. Sommige vriendinnen komen niet op bepaalde plaatsen. Ik zeg hen – al lijkt het ironisch – : met een kind kan dat wel want een kind neutraliseert de sfeer. Ik herinner me diverse voorvallen op de tram waar jonge allochtonen, niet gespeend van enige territoriumdrift, opvallend aanwezig zijn, tot ergernis of tot angst van anderen op de tram. De sfeer is dan echt geladen, tot er opeens een klasje of een gezin opstapt met kinderen in K3-outfit, bijvoorbeeld na een schoolreis. De sfeer slaat meteen om.

Omdat kinderen, en ‘oudere dametjes’, waar je ook over schrijft, machteloos zijn?

Ik zou dat niet duiden als: die zijn zwak of machteloos, maar vooral als: ze worden een soort brugfiguur naar een andere onbekende. Kinderen maar ook honden kunnen die rol hebben. Door deze brugfiguren worden mensen in een andere rol gezien en niet enkel in hun etnische identiteit of hun ‘slachtofferschap’. Daardoor kan hun aanwezigheid een conflict ontmijnen. De Marokkaan of Turk wordt ook een broer of een kleinzoon. zelfs tegen de achtergrond van al die potentiële conflicten, zie ik geen probleem zolang we elkaar nog in meerdere rollen kunnen zien. Maar polarisatie maakt dat dat steeds minder gebeurt.

In de voorbeelden in uw boeken lijken er soms onderhuids ‘grotere conflicten’ ten grondslag te liggen aan die kleine ergernissen.

Ja, en ik merk dat die ergernissen en etnische spanningen erger zijn geworden sinds mijn boek. Begin jaren 2000 was ik geruster dan nu. Voor het eerst in mijn etnografisch onderzoek valt het op dat als ik heden ten dage ik vragen stel over wat mensen dagdagelijks doen, ze veel meer scherpe maatschappelijke en (anti-)politieke standpunten vertolken Voorheen werd in mijn veldwerk veel minder en zeker minder uitvoerig gepraat over politieke issues. Ruimtes zoals de tram waar men iedereen ontmoet connecteren snel met onderwerpen uit de ‘macro-wereld’ die daar in theorie los van staan, maar in de praktijk natuurlijk niet: het maatschappelijk debat, politieke uitspraken, media. Er is altijd wel wantrouwen naar de medemens met een andere etnisch-culturele herkomst, maar dat wantrouwen is opvallend toegenomen.

Is dat door de actualiteit van de laatste jaren?

Dat is moeilijk om te duiden. Het maatschappelijke klimaat lijkt gewoon harder. Er zijn op zich niet meer concrete redenen voor ergernis, maar onderhuids is er meer spanning. Soms vind ik het beangstigend. Sommige politieke stromingen blazen dat aan, hoewel ze ook niet echt geïnteresseerd zijn in de bevindingen van concreet onderzoek. Enkel bij bijzondere momenten hebben ze aandacht voor het alledaagse, en anderen, de links-liberale stedelingen, hanteren evenmin een complexe analyse van het alledaagse bij het ontwikkelen van hun beleidsplannen.

Luisteren politici genoeg?

Ik probeer aan overheden uit te leggen dat er collectieve effecten zijn als we die kleine alledaagse interacties in hun totaliteit bekijken. Het vormt een heel complex systeem en als overheid is het ook belangrijk om dat mee te sturen of beter weten wanneer ze moeten ‘mee koppelen’.

Ik heb het met politici – van elke strekking – vaak moeilijk omdat ze geen voeling hebben of willen hebben met het dagelijkse leven vanuit een neutrale observatie. Of het nu in de stad, op het platteland of in de verkaveling is, het is altijd strijden om het belang van de alledaagse ervaring en om de complexe analyse ervan invloed te doen hebben op het beleid. En dat verandert toch niet zo snel. Dat je uiteindelijk beleid voert op basis van een politiek gekleurde visie lijkt me logisch, maar baseer die dan toch op een fatsoenlijke analyse!

In alle bescheidenheid: wat ik doe is wel degelijk een vak. Iedereen kan observeren of een praatje slaan op de tram. Maar om dat te analyseren moet je wel antropologisch geschoold zijn. Ik vraag me vaak af: waarom werken Ikea, Nokia en Microsoft samen met antropologen om bepaalde inzichten te gebruiken, en de overheid niet? Elke stad een etnografische cel, waarom niet?

Na de winkel en de tram: de bibliotheek

Inderdaad, in Genk werd ik gevraagd om een adviserende rol te spelen bij de inrichting van de stadsbibliotheek. Genk heeft niet echt een historisch centrum waardoor de bibliotheek de rol van ontmoetingsplaats overneemt. Toen mijn advies gevraagd werd, had men de bibliotheek opnieuw vorm gegeven, met veel glas en transparantie en toegankelijkheid. Je voelde nauwelijks nog het onderscheid met het plein ervoor. Ik dacht: dat ga je niet kunnen beheren. En inderdaad: na schooltijd  was het echt een invasie van honderden jongeren van diverse origine. Tieners kwamen er hun frieten opeten.

Kijk, die simplistische vertaling van democratie en transparantie in een open vormgeving, ik vind dat zó onnozel. Ik heb me altijd geërgerd aan die urbanistische ideeën over “truly open spaces”. Mensen en gebouwen hebben ook barrières nodig. Je moet openheid verzoenen met grenzen. Dat hebben we daarna gedaan met kleine ingrepen in de ruimte en veel overleg met de bibliothecaris. We hebben bijvoorbeeld meer kinderhoekjes ingericht, want daar willen die pubers niet zitten of hangen.

In de tram kwam de anonimiteit en de kracht daarvan meer naar voren, in de bibliotheek kwam de huiselijkheid meer naar voren als begrip. Daarom denk ik met architecten na over de vraag hoe je huiselijkheid kan creëren in de stad. Sommigen overdrijven daarin, tot het naïeve toe, waarbij alles in het teken van gezelligheid zou moeten staan. Anderen overdrijven in hun focus op veiligheid. Ze nemen alle bankjes en de huiselijkheid weg, omdat er clochards of hangjongeren zouden rondhangen. Maar die bankjes zijn ook belangrijk voor vredelievende mensen die even willen rusten. En bovendien wordt het toch alleen maar onveiliger, zonder clochards.

Zijn er bij die spontane losse contacten bepaalde categorieën die sneller contact maken of die sneller aangesproken worden?

Dan zit je in de trant van Amerikaans sociaal-psychologisch onderzoek, waaruit vaak blijkt dat mensen makkelijker contact zoeken met ‘gelijken’. Ik denk aan een voorbeeld van een oud vrouwtje die op de tram plaats houdt voor een ander ouder ‘madammeke’ – in de vooronderstelling dat de moslima met hoofddoek die vlakbij staat geen plek zal aanbieden en ze er dus vanuit gaat dat de ouderen vandaag geen plaats meer aangeboden krijgen Dat neemt niet weg dat mensen de deur zullen openhouden voor diezelfde moslimmeisjes, want je tram net missen, is een herkenbare ervaring.

Maar ik kan er weinig over zeggen want ik heb het niet diepgaand onderzocht omdat mijn focus niet lag op de traditionele sociaalwetenschappelijke concepten race, class  en gender als determinanten van het gedrag. Ik keek net naar datgene dat minder grijpbaar is en niet altijd verklaard kan worden door de bekende sociale determinanten

Een jaar geleden kwam onderzoek van de New York University in de media. Mensen van verschillende sociale klassen werd gevraagd om in New York rond te lopen met een Google Glass op hun neus. Mensen uit verschillende sociale klassen keken anderen even vaak aan, maar die uit hogere klassen keken significant minder lang. In artikels werd dat als volgt verklaard: rijke mensen zijn minder afhankelijk van andere mensen, dus moeten ze geen aandacht hebben voor anderen. Mensen uit lagere sociale klassen hebben dan weer meer belang bij visuele aandacht.

Die verklaring lijkt me zeer kort door de bocht. Ik merkte op de tram wel dat de typische middenklassers met een drukkere baan meer gehaast zijn. Die zien niks rond zich. Anderen met meer tijd – werkzoekenden, ouderen – kunnen veel meer observeren. Dan krijg je de ‘clash’ van oudere autochtonen met bijvoorbeeld werkloze vluchtelingen: de tweeverdiener ziet die vluchteling veel minder.

U hebt het over vele soorten relaties, maar ook over verschillende ruimtes?

Zelf spring ik nogal creatief om met de terminologie. In mijn publicaties heb ik het bijvoorbeeld over de “parochiale ruimte”, een geijkte term die niks te maken heeft met religie. Ik bedoel daarmee een ruimte in de parochiaal-relationele sfeer, een ruimte met ‘zwakke’ relaties tussen mensen die toch geen vreemden zijn voor elkaar. Ruimtes zoals het buurtcafé, een stamcafé, het scoutslokaal zijn allemaal parochiaal. De Hema of de tram definieer ik dan weer als “quasi-publiek”: publieke ruimtes in een vorm van privaat beheer maar waar mensen zich gedragen zoals in een publiek domein.

Interessant is dat die zaken kunnen verschuiven. Een café kan ‘s ochtends parochiaal zijn – met vaste gasten – ‘s middag voor ambtenaren, en ‘s avonds voor een uitgaanspubliek – dus quasi-publiek. Dat maakt het boeiend.

Café De Stad, Utrecht

Daarom adviseer ik vaak om te zoeken naar evenwicht in de combinatie van die functies. De bibliotheek van Genk is parochiaal – de oudere mensen die hun krant lezen – én quasi-publiek. In de parochiale ruimte zijn er wel enkele drempels – de ruimte is dus niet helemaal open of transparant – maar ook niet te veel. In de private ruimte – de privéwoning – zijn er natuurlijk meer drempels. In quasi-publieke ruimtes moet je iets overnemen van het parochiale en het privé-domein bijvoorbeeld door te werken met geleidelijk overgaande drempels, met sluissystemen.

Het is interessant om daar architecturaal over na te denken. Interessanter maar ook relevanter dan hoogdravende en abstracte theorieën over de ‘publieke ruimte’ als ‘de agora’ waar het publieke debat plaatsvindt, want dat sluit niet aan bij de realiteit.

Smartphones en sociale media waren er in 2006 niet of nauwelijks. Heeft dat invloed?

De gsm was in 2006 al aan het opkomen en toen was er al paniek: “de mensen gaan niet meer met elkaar praten”. Ik zag geen probleem: mensen combineren zaken en die gsm stond andere contacten niet in de weg. En bovendien: naar muziek luisteren kan ook rustgevend zijn. In bibliothecaire kringen had je natuurlijk wel de angst voor de totale digitalisering ten nadele van boeken en cd’s. Dat is een ander debat. En toch: ik merkte in bibliotheken dat te midden van de digitalisering de tastbaarheid, van een krant, een boek, een tijdschrift zijn plaats blijft houden en zelfs samenhangt met de ‘huiselijke’ sfeer.

U merkt op dat stedelingen ‘stedelijke competenties’ hebben.

Het gaat meestal over niet-naïef gedrag, wetende dat er altijd iets fout kan gaan. Om verstandig vermijdingsgedrag ook, oogcontact vermijden bijvoorbeeld. In het kleine ontmoeten zit heel veel potentieel, in beide richtingen. Het beste en het slechtste van de wereld komen er samen. Aanvankelijk werd mijn boek te veel in de optimistische hoek geplaatst.

Ziet u welke mensen die competenties niet hebben?

Ja. Er wordt in stedelijke milieus wel te snel en te vaak met dédain gesproken over de plattelandsbezoeker die wat trager en minder gewend is. Maar ik herken het wel, vooral bij kinderen. Als kinderen van buiten de stad in de stad komen, is dat eigenlijk levensgevaarlijk: alles is sneller, denser, soms gevaarlijker. Een roltrap, een tram, …

Een ander cliché is dat stadsmensen onverschillig zijn, misschien zelfs onbeschoft en onaardig. Dat beweerde Arne Roets in Bruzz. In dezelfde periode zei Mark Elchardus in De Standaard: “Agressie komt vaker voor in een stedelijke omgeving. Dat toont toch aan dat we de codes niet meer beheersen om met velen samen te wonen. Beleefdheid, respect, correcte verwachtingen … Als die codes in verval zijn, verlaagt dat de drempel om zich agressief en veeleisend op te stellen.” (24 augustus). Uw mening?

Als antropologe doe ik niet snel dergelijke uitspraken, omdat veel zaken gewoon te complex zijn. We zijn geen enquêtemensen zoals Elchardus. Bovendien hebben sociologen en historici de neiging om met het verleden te vergelijken, zoals met ‘codes’ uit het verleden. Ik beschrijf wat ik nu zie, de codes van dit moment. Ik vind het eenzijdig om enkel te beschouwen wat er niet meer is. Ik zoek in het hier en nu naar kiemen van mogelijk nieuwe sociale fenomenen.

En toch: is er een probleem van (te weinig) ‘stadsetiquette’?

Ik ben niet naïef: er is nood aan meer regels en codes. Verkeersagressie bijvoorbeeld is een ziekte van deze tijd, ook buiten de stad overigens.

In een tijd van “iedereen beroemd” zijn regels en grenzen heel belangrijk. Het gebrek aan goede regels bedreigt immers het democratische karakter van een stedelijke publieke ruimte. Regels en afspraken zijn nodig en in elk project waaraan ik meewerk neem ik dat mee, maar niet op een betuttelende manier. Ik vergelijk het met formuleren van verkeersregels, we rijden allemaal rechts, anders botsen we. Maar geen te normatieve regels, want dan werkt het niet.

Wat vindt u de meest inspirerende, fascinerende of leefbare stad?

Kan ik niet zo zeggen. Maar ik kan wel iets vertellen over Scandinavië. Mijn zus woont momenteel met haar gezin in een klein gehucht (300 mensen) op het Zweedse platteland en wij hebben daar met onze familie ook een klein huis. Ik ben daar erg regelmatig, vooral voor mijn schrijfwerk.

Samen met mijn zus, ook antropologe en doctor in de economie, kunnen we niet weerstaan aan de analyse van het alledaagse dorpsleven. Bijzonder complex en hoe langer je er vertoeft, hoe complexer! Ik ben wel vrij snel en dus ook regelmatig in steden zoals Göteborg en Kopenhagen en was deze zomer ook in Stockholm. Die steden zijn duidelijk meer op mensenmaat gemaakt dan de onze. De aandacht voor en het investeren in het publiek domein heeft er duidelijk een lange traditie. Klein menselijk comfort zoals een waterkraantje voor de bezoekers was er al aanwezig in de jaren 1930 in de bibliotheek! Ga je er naar een speeltuin, dan is die veel meer toegespitst op diverse gebruikers. Er zijn meer schommels op maat van kinderen met een beperking, maar dat is ook leuk voor kinderen zonder beperking. De ondergrond van publieke speeltuinen is gemaakt van zacht materiaal. Je kan ook overal de banden van je fiets, rolstoel of kinderwagen oppompen.

Als ik de dorpen zoals het onze en de steden bekijk, merk ik anderzijds wel dat de steden voor veel Zweden te duur zijn.  ‘Gewone’ – minder kapitaalkrachtige – Zweden wonen vooral op het platteland.

Welke auteurs inspireren u?

Filosofisch ben ik zeker beïnvloed door het concept ‘intersubjectiviteit’, dat je in vele fenomenologische teksten terugvindt, en de fenomenologie heeft raakvlakken met de antropologie. Ik ben bijvoorbeeld nogal fan van Bruno Latour en de Nederlandse filosoof René Boomkens, die stedelijkheid maar ook en vooral de alledaagse ervaring centraal stelt (De nieuwe wanorde. Globalisering en het einde van de maakbare samenleving, 2006). Over de kennis van het alledaagse schrijft hij “iets dat tegelijkertijd en door dezelfde partijen wordt opgehemeld en gediskwalificeerd moet haast wel van groot belang zijn.” Daarin herken ik me wel.

Ikzelf werk nog steeds rond zijn notie ‘”sterk verhaal’ uit zijn doctoraat (gepubliceerd als Drempelwereld) , wat René zelf overigens bijzonder interessant vindt. Hij zat in mijn doctoraatsjury en toen hij daar zei dat ik niet polemiseerde, vond ik dat een mooi compliment.

Latour werkt vooral aan nieuwe theoretische kaders tegen de achtergrond van de bekende kaders in de antropologie en de sociologie (Reassembling the social. An introduction to actor-network-theory, 2007). Voor mij waren dat tools om mijn alledaagse data te analyseren en te theoretiseren. Een mooi etnografisch veldwerk van hoe mensen samen zijn zonder die ‘dikke’, collectieve versie van ‘gemeenschap’ is The Hidden musicians. Music-making in an English town (1989) van Ruth Finnegan. Uit de boeken van prof. em. Gust De Meyer ten slotte heb ik veel geleerd over populaire cultuur en daar heb ik veel aan gehad.

In 2006 schreef u dat door “initiatieven zoals thuisindestad.be stedelijkheid meer aandacht zal krijgen“. Is uw voorspelling 10 jaar later uitgekomen?

Ik denk van wel. Zo zijn er de stadsvernieuwingsprojecten en projectsubsidies in Vlaanderen. Op de onderzoeksagenda is er meer belangstelling voor steden, voor stad en architectuur, het gebruik van ruimte. De stad is weer hip. Er zijn veel stedelijke bewonersgroepen met moestuinen, ruilbeurzen. Een gezond sociaal leven wordt niet meer enkel aan de niet-stedelijke woongebieden toegeschreven.

Ruth Soenen, Het kleine ontmoeten. Over het sociale karakter van de stadGarant Uitgevers nv (2006).

Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Ruth Soenen verscheen in het oktobernummer (nr. 230) van het maandblad Meervoud.

Share