Pleinpijn

Mijn opa en oma woonden in een bos. Vanuit haar keuken zag mijn oma haar grote composthoop, waarin de kippen van een nabije boerderij pikten. Er stond een vogelhuisje naast waaraan mijn oma halve kokosnoten hing, die ze vulde met frietvet en een zadenmengeling. ‘Daar is het winterkoninkje,’ of de bonte specht – ik hoor het haar nog zeggen. Elke dag zag ze dezelfde eekhoorn in dezelfde hoge boom.

Mijn opa was een dromer. Sommige dromen realiseerde hij, zoals in een bos gaan wonen. Wanneer je tegen hem praatte, staarde hij vaak door het raam. Je wist dan niet zeker of hij wel luisterde. Zoals nu bij mensen die op hun smartphone kijken terwijl je hen iets vertelt. In het midden van een gesprek zei mijn opa soms plots: ‘Wat zijn de bomen toch mooi.’ Dan wist je dat hij niet geluisterd had.

We wonen al jaren in deze stad, mijn man en ik. Maar altijd hebben we gewoond in een huis waarin we naar bomen konden kijken. Ons eerste adres was in de Léon Lepagestraat, een van de weinige straten in Brussel centrum die aan weerszijden hoge bomen heeft. Toen het centrum ons te druk werd, verhuisden we naar de Richard Neyberghlaan in Laken, een heerlijk groene laan die je vanop het nabije grijze Bockstaelplein niet kan vermoeden. We woonden er op de eerste verdieping, te midden van de kruinen. ’s Zomers ruisten de fijnbladige bomen er als de zee.

Twaalf jaar geleden verhuisden we naar het Jetse Brusselaarsplein. Het huis was klein, het uitzicht groots. Een pleintje met een tiental kleine platanen lag voor onze deur. Daarachter nog de dubbele rij platanen van de Jetselaan. Hoge, oude bomen, die veel wind vingen. Inkijk kenden we niet, in de zomer konden we de overkant niet eens zien. Twaalf jaar lang heeft dit uitzicht ons geluk en rust gegeven.

Tot de tram kwam. En alle bomen voor onze deur genadeloos tegen de grond gingen. Een van de ergste dagen van ons leven. De Ster van het Noordstation heb ik kunnen redden, de bomen voor mijn deur niet. Waarom niet? Ik heb nooit geweten dat ze omgehakt zouden worden. Op de plannen stond dat ze bewaard zouden blijven. Pas later is beslist ze te kappen. Dan sta je als burger machteloos. De plannen voor ons plein waren onduidelijk. Zelfs de ombudsman van de tramwerken kon, toen ik hem raadpleegde, er niet meteen uitleg bij geven. Ook hij geloofde niet dat een kale vlakte met nauwelijks banken en één boom ons pleintje zou vervangen.

‘Het pleintje voor je deur gaat heel mooi worden. Vroeger was het wat sinister,’ zei de Ecolo-schepen me toen ik bezorgd informeerde naar de toekomst.

Alsof iemand zei dat mijn kind lelijk was. Het deed pijn hem op deze manier over ons plein te horen praten. Een plein waar oude mannen in de zomer triktrak speelden. Een plein waar oude dames elkaar in vertrouwen namen over hun kwalen en medicijnen, terwijl ze op de bus wachtten. Waar een koorddanseres tussen de bomen moeizaam haar evenwicht zocht. Waar honden elkaar besnuffelden terwijl hun baasjes aan de praat geraakten. Een plein waaronder het zonlicht zo mooi viel, dat zelfs een achtergelaten stoel of sofa een bijzondere glans kreeg.

Het plein waar ooit de rode valies stond waarnaar ik mijn blog heb vernoemd. Waar je het gevoel had in de Provence te zijn, wanneer de zondagse markt op een zomerse dag voor de deur stond. Ja, soms zat er een clochard, maar hij deed geen vlieg kwaad. Hij leek zelfs over het plein te waken. Hier, aan de kop van de Vlamingen- en de Walenstraat, kwamen Brusselaars samen. Het Brusselaarsplein droeg zijn naam goed.

Wij, de bewoners, wisten dat het hier niet sinister was. Niemand heeft ons iets gevraagd. De bomen werd ook niets gevraagd. Nochtans weten we dat bomen kunnen spreken. Ondergronds, via hun wortelstelsel, communiceren ze met elkaar. Wij kunnen dat niet horen. Daarvoor zijn wij bovengronds veel te lawaaierig.

Er komt een tijd waarin we zullen beseffen dat bomen levende wezens zijn. Die zoveel ouder en wijzer zijn dan wij. Die ons zoveel geven.  Ons beschermen voor onze domheden. Met schaamte zullen we terugkijken op onze barbaarse daden jegens deze weldoeners. “We zijn niet geïnteresseerd in de redding van de aarde, maar wel in de redding van onze eigen arrogantie,” stelde schrijver Richard Powers onlangs in De Morgen. In zijn laatste roman spelen bomen de hoofdrol.

De tram waarmee we tien minuten sneller in het centrum zijn zouden we meteen inruilen voor ons vroegere groen.

‘Heb je gezien dat ze onze nieuwe boom eindelijk hebben geplant?’ vroeg mijn man gisteren. Nee. Ik had hem niet gezien. Een smalle spriet. Dat het herfst is en hij maar enkele bladeren heeft, helpt natuurlijk niet. Ik heb medelijden met hem.

Ik kijk naar de lege vlakte met één boom en betonnen banken zonder leuning. Veel kouder kan het komende winter niet meer worden. Vroeger hingen er Kerstlichtjes in de bomen. We zullen ze nu aan ons balkon hangen. In de zomer zullen we wat bloempotten buitenzetten. En een bankje. Zodat we een beetje kunnen praten met de voorbijgangers. Over vroeger.

Ik voel mijn grootvader, dertig jaar na zijn dood, zo dichtbij de laatste tijd. In mijn herinnering zit ik niet tegenover hem te praten, maar naast hem. Samen kijken we door het raam. De bomen waren zo mooi.

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Share