Vroege lente

‘Kijk goed als we afstappen, deze tramhalte lijkt op jouw sjaal.’ Een roodharig meisje van een jaar of tien zegt het tegen haar kleine zus. De kleine zus staat met de rug naar me toe, de sjaal kan ik niet zien. Ik ben benieuwd.

Op de muren van halte Lemonnier staan grote handen getekend in fijne blauwe lijnen. Op de handen zijn sierlijke patronen aangebracht, zoals de fijne hennatekeningen die Marokkaanse vrouwen op hun handen maken. Maar dan in Delfts blauw. ‘Les mains de l’Espoir’ heet dit werk van de Algerijnse kunstenaar Hamsi Boubeker – de handen van de hoop. Bij het afstappen zie ik de sjaal van het kleine meisje. Hij is wit, met hetzelfde blauwe lijnenpatroon als de muurtekening. Een klein wonder, zo scherp opgemerkt door de zus.

Ik kom boven in het felle licht van de te vroege eerste lentezon. Ook ik neem vandaag alles verhevigd waar: een man die rechtstaand tegen een gevel staat te slapen, planten op een vensterbank, zonlicht op kinderkopjes, twee kleurige handdoeken over een balkonrand. Ik ben blij vroeg op pad te zijn gegaan.

Ik heb zin in koffie. Ik herinner me dat ik een tijd geleden vroeg naar een fijn adres om koffie te drinken bij het Vossenplein, in de Facebookgroep ‘Durf te vragen in Brussel’. Iemand tipte me een café dat ik niet kende. Wandelend langs de Zuidlaan zoek ik het op op mijn telefoon. Ik vind het snel, hoewel mijn vraag van een half jaar geleden dateert. ‘Wij zijn vaste klant van ‘Le Père Tranquille’ in de Vossenstraat,’ schreef iemand. Dan zie ik wie me het café aanraadde. Een rilling gaat door me heen. Omdat ik weet dat ze intussen is overleden. Ze was iets jonger dan ik. Ik kende haar alleen uit de digitale wereld, we hadden veel gemeenschappelijke vrienden.

Alles in haar ene zin raakt me plots diep. De tegenwoordige tijd. Dat zij, vanuit haar eeuwige rust, ‘Le Père Tranquille’ aanraadt. De ‘wij’ in haar zin. Wie en waar zijn zij nog zonder haar? ‘De Vossenstraat’ – ik hou van de vossen, die ’s nachts door de straten van Brussel wandelen en het bos naar de stad brengen. En de uitdrukking ‘vaste klant’. Niets in dit leven is vast, denk ik.

Droefenis overvalt me en tegelijk geniet ik nog intenser van deze mooie dag. Het eerste wat ik zie op het Vossenplein, is een kraam met Nederlandstalige boeken. Ze liggen door elkaar in dozen. Veel politieke boeken, maar ook romans en essays. Het is duidelijk de collectie van één persoon, die grotendeels in de jaren 1980 werd opgebouwd. Het boek ‘Kernenergie? Nee bedankt, ja graag’ ligt er naast ‘Geen winnaars in de Wetstraat’. ‘De digitale toekomst’ vergezelt ‘The end of time’. De digitale toekomst is intussen allang aangebroken en het einde der tijden lijkt steeds dichterbij. En toch is er niet echt iets nieuws onder de zon, denk ik. Even overweeg ik het boekje ‘Oude mensen’ van Simon Carmiggelt te kopen, maar leg het toch terug.

‘A un certain age, on marche en arrière,’ hoor ik een man tegen een marktkramer zeggen, waarna hij lachend verder wandelt. Voorwaarts, uiteraard. Ik geniet van de zinnen die ik hier opvang. ‘Dat zijn allemaal zo van die verloren cadeaus,’ zegt een vrouw tegen haar man, een blik werpend op de rommel die hier kriskras door elkaar in dozen te koop wordt aangeboden.

Toch vind ik tussen de verloren cadeaus een nog bijna intacte terrinevorm van Le Creuset, voor twee euro. Mooie Tupperwarepotjes voor een prikje. Een kitscherig blik met dahlia’s erop – de lievelingsbloemen van mijn moeder. En een prachtige glazen tafellamp met een vorm die zo sensueel is dat je hem zou willen strelen.

Het Vossenplein is een openluchtmuseum van afgedankte alledaagse voorwerpen. Soms ook van uitzonderlijke dingen en uitvindingen, die geen lang leven beschoren waren. Zoals de ‘Swing-o-graaf’. Wie weet nog wat dat is, vraag ik me af. ‘Draws pictures of breath-taking beauty with fantastic ease,’ lees ik. Het blijkt een soort tekentoestel waarbij een pen aan een draad slingert, die aan een zware metalen constructie hangt.

Ik geniet van de vormgeving van een oud hamertje tik-spel. Gezelschapsspelletjes waren vroeger veel mooier. Alleen voor de doos zou ik het willen kopen.

Zoals steeds grijpen de postkaarten en de foto’s me het meest aan. Groeten van vervlogen vakanties, huwelijksfoto’s waarop stralende koppels hun inmiddels verleden toekomst hoopvol tegemoet zien. Hun liefde en ook hun latere ruzies, die er ongetwijfeld waren, zijn inmiddels lang begraven. Dan moet ik altijd even slikken. Net als bij het afgeleefde hobbelpaard dat hoopt op een nieuwe eigenaar.

Ik wandel naar de Vossenstraat. ‘Le Père Tranquille’ ligt aan de rechterkant, dicht tegen het plein. Het interieur is sympathiek, een beetje gezellig rommelig. Het is er rustig. Vier vrienden zitten met hun rommelmarktbuit voor zich uitgestald te eten en te drinken. Ik bestel een cappuccino bij de hartelijke bazin. Ik heb zicht op de keuken. Daar staan drie pains de veau in de oven, voor bij de stoemp. Dit is een plek waar je je meteen op je gemak voelt, vriendelijk, eenvoudig en warm, zonder chichi.

In gedachten dank ik de lieve vrouw die hier vaste klant was voor haar fijne tip. ‘Le Père Tranquille’ is een Franse film van René Clément uit 1946. Hij vertelt het verhaal van een 50-jarige man die een rustig leventje leidt maar in feite een verzetsstrijder is. Ook zij die me dit café tipte, zette zich in voor een betere wereld. Ze hielp kinderen met verdriet.

Dan wandel ik naar de hoogstad. Op de Gulden Vlieslaan sla ik links af naar de Grote Hertstraat. Nog zo’n straatnaam. Ik hou van de grote herten die ’s nachts door de straten van Brussel lopen. Lang geleden woonde mijn meter hier. Vanuit haar appartement keek je uit op het Egmontparkje, dat toen nog een geheime plek was. In de Grote Hertstraat is er een poort naar dat park. Mijn geheime plek van vroeger met het mooie beeldje van Peter Pan is intussen niet meer de oase van rust in de stad. Veel mensen genieten er van de eerste lentezon.

Via de Wolstraat en de Zavel daal ik af. Ik ben in Parijs. Even ga ik binnen bij Wittamer om pateekes te eten met mijn ogen. Snel loop ik voorbij Manneken Pis en de talloze toeristen. Bij De Brouckère neem ik de ondergrondse. Ik verheug me erop om mijn Vossenpleinvondsten een plekje te geven in ons kleine huis.

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Share