Gilles Ledure: “Brussel draagt, net als Wenen, een verrassing in zich”

Gilles Ledure is sinds dit jaar juryvoorzitter van de instrumentale sessies van de Koningin Elisabethwedstrijd. Alsof zijn agenda nog niet druk genoeg was. De culturele duizendpoot is betrokken bij artistieke projecten links en rechts, en vooral algemeen directeur bij Flagey.

Gilles Ledure (c) Goethe-Institut Brüssel, 2016

Recent vond de tweede editie van het opmerkelijke project ‘Religie in de Stad’ plaats. Vanwaar dat project?

Het idee is ontstaan in 2015 en effectief opgestart in 2016, met name tussen de aanslagen in Parijs en Brussel. Dat is toeval, maar staat inhoudelijk natuurlijk niet los van het project.

We wilden zo’n project opstarten omdat we zoals iedereen merkten dat een bepaalde godsdienst oprukte, met duidelijke ideeën en een welomlijnd doel. Dat was voor onze sterk gelaïciseerde maatschappij – waarbij kerk en staat gescheiden zijn en godsdienst een privézaak is – toch nieuw en opvallend. Ook al gaat het om een kleine stroming binnen die godsdienst, daarover moeten we eerlijk zijn, toch was er vraag naar duiding en debat daarover. Tegelijk merkten we al langer een hang naar spiritualiteit bij onze bezoekers, aansluitend bij hun passie voor klassieke muziek.

Vanuit die twee vaststellingen wilden we het gegeven spiritualiteit uitdiepen. Er kwam een concreet voorstel van Jean-Philippe Schreiber, professor godsdienstvergelijking aan de ULB en wij waren meteen getriggerd. Hoe zit dat nu met godsdienst in onze maatschappij? Is dat deel van onze culturele identiteit? Die vragen en onderwerpen domineren nu eenmaal het publieke debat van de laatste jaren.

Het werd een overrompeling, een enorm succes: we kregen 7.000 mensen over de vloer, dat hadden we helemaal nooit verwacht. Mensen waren hongerig naar kennis en de sfeer was hartelijk, hoewel er harde en directe zaken gezegd werden over het thema. Ik was ook trots op mijn stad dat ze daarvoor open stond, hoewel Brussel toch een reputatie heeft van laïcisering en zelfs papenvreterij; Zo kwam de net benoemde aartsbisschop Jozef De Kesel spreken. Later kwam bijvoorbeeld ook nog de aanslag bij Charlie Hebdo. We konden dus niet actueler zijn. We hebben dan beslist om het evenement te herhalen. Dit jaar vond dus de tweede editie plaats, die handelde over het lichaam. Het lichaam is immers ook een instrument in het ideologisch-levensbeschouwelijk beïnvloeden of onderwerpen van mensen.

We lieten enkel vrouwen aan het woord, want het zijn bijna altijd vrouwen die moeten boeten. Hun lichaam is gevaarlijk is en moet onderworpen worden.

Waarom moet dat dan net in een huis van cultuur en muziek?

Het leven kent yin en yang: actie en reflectie. Ik wilde een plek waar men op niet-activistische, niet-praktische wijze kon spreken over de consequenties van het denken in je leven. Theater bijvoorbeeld kan activistisch zijn en moet dat soms ook zijn, maar wij zijn bezig met etherische materie: muziek. Muziek is er enkel op het moment zelf, en in je geheugen. Het vraagt scholing om dat te kennen, herkennen, daarvan te genieten. Om je ervaringsveld zo rijk mogelijk te maken.

Popmuziek is de uitzondering, want die nodigt uit tot dansen, bewegen, actie, maar klassieke muziek is anders. We merkten een grote vraag naar aandacht voor yang, voor rust en reflectie. Ik verwijs naar Flagey’s the Circle of Silence, beïnvloed door de band tussen muziek, spiritualiteit en natuur. Dat is een heilige driehoek in de Scandinavische en Baltische landen. Na de Tweede Wereldoorlog is hun hele cultuurgebeuren, zowel politiek als esthetisch, daarop gebaseerd. Uit de actieve wereld trekken ze zich terug in die veilige driehoek die fundamenteel deel uitmaakt van hun identiteit. En musiceren is echt deel van hun identiteit.

In die context organiseerden we begin dit jaar ook het Arvo Pärt-weekend. Deze nog levende componist uit Estland is de eerste die zich daar opnieuw mee bezig hield. Hij trad ook toe tot de orthodoxe kerk.

Part-Arvo-08
Arvo Pärt

Voor Flagey als ‘productiecentrum van klank’ is die yin, die stilte en reflectie een belangrijk gegeven. Muziek zorgt voor introspectie, maar plaatst je ook in een relatie tot iets wat je overstijgt.

Durf je te spreken van componisten uit de stad en componisten uit de natuur of het platteland?

Dat is geen domme vraag, maar wel een beetje een gevaarlijke vraag, omdat je snel in clichés belandt. Alsof een natuursymfonie van Dvorak in New York van hem dan een natuurcomponist maakt. Als je wil opdelen, dan niet in termen van stad en platteland, maar op basis van de plaats van de mens. Staat de mens centraal als denkend en ordenend wezen, of maakt hij deel uit van iets dat hem overstijgt? Bach was de laatste in die tweede categorie, waarbij de kunstenaar ondergeschikt werd aan een opperidee of opperwezen. Daarna kwam enkel nog de kunstenaar en zijn kunst centraal te staan.  Tot het irrationale en bijna egocentrische van de romantiek – denk aan Wagner en waartoe dat geleid heeft. De muzikanten die ik aanhaalde, willen terug naar die eerste invalshoek, via het een zijn met natuur, natuurfenomenen, het ecologische gevoel.

Trouwens, ook in algemene termen is de oppositie tussen stedelijkheid en landelijkheid overdreven, in een wereld waar pakweg 90% van de bevolking op de ene of andere manier aangewezen is op de stad. Dat onderscheid is niet meer zo sterk, en toch denken we vaak in clichés. Ik hoop dat ook Flagey bijdraagt aan meer nuance, op vele vlakken.

U bent een stadsmens?

Ja, ik ben hier niet alleen voor het werk. De stad is veel te boeiend om de rug toe te keren. De voorzitster van het Goethe-Institut zei me ooit, toen ze net in Brussel kwam wonen, dat ze hier het gevoel had dat ze constant valium moest nemen wegens de chaos en drukte. Zes maanden later zei ze dat Brussel één van de meest fascinerende steden is waar ze ooit kwam.

Een stad kent natuurlijk vele problemen, maar draagt ook de kiemen van vele oplossingen. Denk aan het mobiliteitsprobleem. Was niet iedereen buiten de stad gaan wonen met twee wagens, hadden we geen mobiliteitsprobleem. Ik bedoel dat niet aanvallend, want de meeste mensen wonen zo en ik ben ook zo opgegroeid, maar het is wel zo.

Je had het over de driehoek rust, spiritualiteit, muziek. Vind je die in de stad?

Dat is niet gemakkelijk. Ik ben niet afkomstig uit Brussel, maar uit een dorp 25 km ervandaan. Ik kwam hier wel vaak, maar toen ik hier 25 jaar geleden kwam wonen, had ik moeite met het gebrek aan stilte. Al ik het nu beschouw, hebben we als Brusselaars geluk. Parijs en Brussel zijn ongeveer even groot, maar daar wonen wel  3 tot 4 keer meer mensen. Dus eigenlijk zijn wij in Brussel gezegende mensen.

De levenskwaliteit in Brussel is, net als in de andere Belgische steden, hoog. Ik wil zeker niet blind zijn voor de realiteit van vele mensen die in kleine, verouderde appartementen moeten wonen in deze stad, maar wij Brusselaars wonen – gemiddeld gesproken – comfortabel in relatief grote woningen en vaak ook rustig. Ik heb een kleine stadstuin, zoals best vele huizen in Brussel, en als je daar zit, hoor je alleen de vogels en spelende kinderen.

Als ik echt zou kunnen kiezen, denk ik soms aan een huis in een landelijke omgeving naast een bos. Maar dat is de paradox van dit land: het platteland bestaat echt niet meer. Dorpen zijn voorsteden geworden. Het stiltepatroon, zoals ik het me herinner uit mijn jeugd, bestaat niet meer. Je hoort auto’s, mensen die hun gras afrijden, kinderfeestjes. Ik vraag me steeds meer af: wie woont dan kalmer? Ik in mijn rustige stadstuin, of mensen het zogenaamde platteland waar veel ander lawaai de rust verstoort. Mensen van het zogenaamde platteland die me bezoeken zijn vaak verrast door de rust hier. Dus die initiële romantische droom van de terugkeer heb ik niet meer.

Een grotere stad trekt je minder aan?

Er zijn grotere steden die fascineren, maar waar ik niet zou willen wonen. Als je miljardair bent is het leuk om in New York te wonen, maar de meeste mensen, zoals ikzelf, zijn dat niet. Ik heb in Parijs gewoond, dat is zeer leuk maar ook zeer duur. Amsterdam is een fijne stad. Maar als je zegt dat je hier misschien een appartement van 100 m² hebt, dan bekijken ze je heel raar. En als je in Tokyo iets groter wil dan 30 m², merkt men op dat het wel bescheidener kan.

De manier waarop wij Belgen uiterst slordig maar genereus omgaan met onze ruimte, is vrij uniek. Ik ken geen andere landen waar dat zo is. Behalve dan het Amerikaanse platteland, en dat land is 100 keer groter dan België. Dat is totaal absurd. In Nederland hebben ze het rationeler bekeken en ingericht. Logisch dat het landschap er veel mooier is.

Maar we plukken er ook de voordelen van. In Brussel, om daarnaar terug te keren, worden wij als individuele bewoner best in de watten gelegd. Niet dat het allemaal peis en vree is. Ik vind Brussel best vuil, dat toont een gebrek aan burgerzin.

Flagey is ontegensprekelijk een landmark. Leuk?

Ik werk graag in een zo mooi gebouw, zeker. Het schept zelfs een soort dankbaarheid en plichtsbesef. Maar belangrijker vind ik de binnenkant, de innerlijke technische kwaliteit van het gebouw. Het vernuft inzake akoestiek om stilte en geluid te beheren, met gebruik van de meest moderne technologie.

Foto 26-02-19 20 38 13
Foto 26-02-19 20 38 12
Foto 26-02-19 20 38 11

Steden zijn steeds diverser. Hoe bereik je die bevolking? Komen bijvoorbeeld meer mensen van buitenlandse herkomst naar de activiteiten van Stad en Religie?

Dat is een interessante maar moeilijke problematiek. We moeten daar blijven op werken. Ikzelf sta nog maar aan het begin van mijn reflectie daarover.

In Flagey zal je zeker mensen van diverse religies aantreffen, zoals een joodse dokter, een islamitische pianist, een orthodoxe zangeres of een vrijzinnige professor. Wat die mensen bindt, is vooral niveau, levensstandaard, opleiding. Ze hebben meestal van hun ouders bepaalde kansen gekregen. Bepaalde instrumenten meegekregen om bepaalde zaken te waarderen. Ooit stonden je zuil, je ideologie, je opinie van bij de geboorte vast. Daarna werden we allemaal ongebonden en vrij. Maar nu worden onze opinies subtiel aangestuurd, aan de hand van sociale media bijvoorbeeld.

Daarom is het zo belangrijk dat individuen zelf tools hebben, en dus aangereikt kregen, om daar mee om te gaan. Dat is een sociologisch feit, dat los staat van geloof, maar te maken heeft met kansen en kansarmoede.

En dat geldt ook voor het waarderen van klassieke muziek. Ik geloof in de ontvoogdende taak van de maatschappij en instrumenten zoals de media. De jaren zestig waren economische hoogdagen, maar gingen ook gepaard met ontwikkeling, democratisering van het onderwijs, het geloof in onderwijs en ontvoogding. Er was een vooruitgangsgeloof. Kennisverwerving was niet nutteloos, maar een manier om meer mens te worden.

Ik verwijs naar Singing Molenbeek, dat we mee ondersteunen, en El Sistema Centre/Transcanal, dat we zelf hebben opgezet. Die projecten willen vaardigheden en kennis aanreiken. Vaardigheden zoals stiptheid, respect voor een groep, werkethiek, discipline. We geven hen respect mee – dat ze vaak zelf niet krijgen – en daarmee ook de verantwoordelijkheid om respect op te brengen voor anderen. Dat is een veeleisend proces en een grote uitdaging. Het vraagt een inspanning en een strategie op lange termijn. Als je het vrijblijvend doet, kan je het beter niet doen.

Kijk, representatie is iets speciaal. De scène is onze manier om taboes zoals incest, moord, oudermoord uit te beelden en een plaats te geven en zo een boodschap door te geven. Wat niet mag, wordt op de scène vorm gegeven. Maar dat is onze cultuur. Andere culturen hebben vaak andere taboes, en veruitwendigen die ook anders. We moeten vaak nog ontdekken waar we anderen schofferen en waarom. Dat is een subtiel evenwicht. Waar vooral nog veel kennis van elkaars cultuur voor nodig is.

U hoopt dat de kinderen van pakweg Singing Molenbeek later Flagey bezoeken?

Zeker. Of een ander cultuurhuis. Als je vindt dat wat je nu doet relevant is, dan wil je dat ook relevant houden. Waarom zou je over 50 jaar nog luisteren naar Brahms, Stravinsky, Lassus, Beethoven? Die andere muziek moet je kennen of leren kennen. Het is een oefening in het scherpen van de zintuigen. En met name het gehoor: wat heb ik juist gehoord? En wat voelde ik daarbij?  Dat is onze taak, maar ook van ouders, van scholen, van de overheid. Van alle mensen die een maatschappelijk belang hebben.

Waar zou u willen wonen vanuit louter cultureel oogpunt?

Ik ben een grote Wenen-liefhebber. De stad is wel 1.000 jaar lang de hoofdstad geweest van een groot imperium. Dat kunnen weinig andere (hoofd)steden zeggen, zelfs Parijs niet.

De stad is niet duurder of groter dan Brussel. Ze is ook zeer gediversifieerd, maar wel net iets meer geordend, natuurlijk. Het klimaat is er leuk, het cultuuraanbod enorm. De stad is ook dubbelzinniger en tegenstrijdiger dan de meesten denken en weten.

Zo was de stad zeer progressief met haar moderne en interessante kunst in de 19de begin 20ste eeuw. Tegelijkertijd is het een stad die het populisme gevoed heeft en zo aanleiding heeft gegeven tot een van de meest onfraaie episodes in onze geschiedenis.

Wenen had al vanaf eind 19de eeuw problemen door de grote bevolkingsdruk en een grote diversiteit. In 1880 had je meer dan honderd nationaliteiten. Bovendien was er de industriële revolutie en de ontwakende arbeidersklasse. Dat veroorzaakte problemen, waar de keizer niet op voorzien was. Hij legde de Ringstraße aan, met imperiale, grote gebouwen vol grandeur zoals het Burgtheater. Dat was een paternalistische visie op het probleem, maar geen oplossing. En dan komt daar de antisemitische burgemeester Karl Lueger (1844 – 1910), die het volk geeft wat het zogenaamd wil.

image_gallery
De Ringstraße in  Wenen, grandeur in een poging om het volk te paaien

Ondanks en zelfs doorheen die ruwe episode, blijft Wenen deftig, ordelijk, Wienerisch zeg maar. Vorm en inhoud lopen heel sterk uit elkaar. Want de mooie façade blijft intact. Dat fascineert. Nog steeds heb je in Wenen die mix van een charmant, overjaars, oubollig conservatisme en interessante ‘cutting edge’ kunstproductie – denk aan de Wiener Festwochen. Ik houd van steden als Brussel en Wenen, die niet evident zijn en een verrassing in zich dragen.

Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Gilles Ledure verscheen eerder in het februarinummer (nr. 244) van het maandblad Meervoud.

Share