Een jongensdroom in vervulling: werken in het Zoniënwoud

Begin juli, een grijze maar zomerse dag. Ik ben op bezoek bij Jan Gellynck, al twintig jaar bosarbeider in het Zoniënwoud. “Soms ben ik bezig met de tractor om een plantplaats vrij te maken. Maar als je dan ’s middags je machine afzet, kan het zijn dat er tien minuten later een ree voor je neus staat.”

(c) Guy Bourgeois

“Ik heb altijd in het bos willen werken, dat is een jongensdroom”, vertelt Jan in de tuin van zijn woning in Groenendaal, dichtbij de Brusselse ring die het Zoniënwoud doormidden snijdt. “Ik kom uit de bosarmste stad van Vlaanderen: Wervik”, lacht hij. “Daar was in mijn jeugd gewoon geen bos, nu wel een beetje. Ik heb metaalbewerking gestudeerd, dan twee jaar tuinbouw en een jaar bosbouw gedaan – in Vilvoorde. Daarna kon ik via de VDAB een opleiding boomverzorging volgen. Intussen solliciteerde ik bij alle provincies, het departement Water & Bossen was dat toen. Hier kreeg ik eerst ‘neen’ te horen, en twee weken later kreeg ik dan een brief dat ik toch mocht beginnen (lacht). Dat was in 1999. Het Zoniënwoud kende ik van de aardrijkskundeles. Als je hier dan arriveert, dat is … waaauw!”

Andere tijden

“Stadsmensen lopen hier grandioos verloren.”

“De eerste winter dat ik hier werkte, zat ik meteen al twee weken thuis, technisch werkloos door de sneeuw. Dat zie ik vandaag zo snel niet meer gebeuren. De bosarbeiders van het Vlaamse deel van het Zoniënwoud waren toen onderverdeeld in drie ploegen van vier man. Ik zat in de ploeg Groenendaal. De tijden waren anders toen, het beroep is intussen veel meer gemechaniseerd. Toen waren we bijna een week bezig om een stuk grond plantklaar te maken: afsteken, in brand steken … We hadden één bosmaaier, één tractor, en ons bureau was een kleine loods met betonplaten. Er was geen stopcontact, het regende binnen, we verwarmden ons met een houtstoof. Als we onze natte kleren wilden laten drogen, pakten we ze beter mee naar huis.”

Vandaag werken de arbeiders vanuit een grote, moderne loods in Groenendaal. Een dozijn sterke gasten, met een hart van goud. En allemaal een ongelooflijke liefde voor het bos.

“Een fijne ploeg, een goed team. Je leert elkaar kennen, dat kan eens botsen maar we komen goed overeen. Ik doe mijn werk nog altijd heel graag. Ik zeg altijd: ik sta soms wel eens tegen mijn goesting op, maar ik ga nooit tegen mijn goesting werken. In de winter bomen planten (zo’n 35.000 per jaar, nvdr.), nu snoeien en vrijmaken van braambessen, het klein onderhoud van de wegen, afsluitingen en banken maken … We vernieuwen momenteel ook de bordjes in de drie gewesten. We plaatsen nu houten palen met de straatnamen erin gegraveerd, die zullen twintig jaar meegaan.” Of die bordjes nodig zijn eigenlijk? “Toch wel. Stadsmensen, die lopen hier grandioos verloren. En wandelaars die iets willen vragen, zien geen boswachter meer.” Inderdaad: tijdens het weekend is er in het Vlaamse deel één boswachter van wacht. Voor 60% van het 4.400 hectare tellende Zoniënwoud … Misschien niet ideaal.

(c) Guy Bourgeois

Streven naar een ongelijkmatig bos

“De beukenkathedraal van weleer, is kapot aan het gaan. Je ziet de beuken wegkwijnen, afsterven. Ze hebben een beetje geleden onder stormschade, maar ik denk dat ze ook afzien van de droogte.”

Jan wijst naar de bosrand, achter zijn tuin. “Tamme kastanjes. Die zijn aangeplant om de bosrand te versterken: eiken en kastanjes zijn beter bestand tegen de wind. De beukenkathedraal van weleer, waaraan het Zoniënwoud zijn reputatie dankt, is kapot aan het gaan. Je ziet ze wegkwijnen, afsterven. Ze hebben een beetje geleden onder stormschade, vooral in de jaren 1990, maar ik denk dat ze ook afzien van de droogte. Ze zijn oud, ze zijn op. Er staat ook veel zaad op de bomen. Vroeger waren er om de zes à acht jaar mastjaren, nu gemiddeld om de twee jaar, soms zelfs jaarlijks. Bomen willen zich voortplanten als ze voelen dat er iets niet klopt, als ze stress hebben. Zelfs jonge bomen dragen nu zaad. Hoe dat komt? Het klimaat, luchtvervuiling, gevoeligheid voor ziektes en droogtes … Ik weet het niet, het is een mix.”

“Toen ik twintig jaar geleden begon was het bos meer gesloten. Gaandeweg hebben we meer open gaten gecreëerd, zodat zaailingen meer kansen krijgen en er een meer ongelijkmatig bos ontstaat. Vroeger was het helemaal open onderaan, je zag de dieren al van een kilometer lopen – nu is er meer beschutting, het is ook de reden dat er everzwijnen gekomen zijn, denk ik. Het Zoniënwoud is uniek omdat het altijd bos is geweest. Onder leiding van Joachim Zinner hebben de Oostenrijkers het gemengde loofwoud omgevormd tot een monotoon beukenbos, voor de houtproductie. Dat zijn dan de zogenoemde beukenkathedralen geworden. Ze legden ook stervormige kruispunten en lange dreven aan voor de drijfjacht.”

Wandelingetje

“Zullen we een wandelingetje maken?” vraagt mijn gastheer na een uurtje. Het wandelingetje zal uren duren. Fijne uren, want over bijna elke boom in dit stukje woud weet Jan iets te vertellen. Het microklimaat van zo’n typische ‘delle’. De letterzetter die de fijnspar aantast. Hier een stukje bos dat ze drie jaar geleden hebben aangeplant, ginds een berk die tegen alle verwachtingen in zijn plaats heeft kunnen opeisen. En ziedaar: staand dood hout waar enkele jaren eerder een nogal onorthodoxe techniek aan te pas kwam: explosieven. En dan belanden we in het natuurreservaat Joseph Zwaenepoel. “Hier doen we dus niks van beheer. Je ziet hier regelmatig biologen en wetenschappers aan het werk. Ze hebben hier recent een varensoort ontdekt. Zoiets ontdek je niet zomaar natuurlijk, dan moet je al met je neus tegen de grond lopen”, lacht hij.

(c) Guy Bourgeois

Klimaatverandering tegen een rotvaart

Hoe heeft hij het bos of de natuur zien veranderen de voorbije jaren? “Er is altijd klimaatverandering geweest, maar het gaat te snel tegenwoordig. De natuur is haar buffer kwijt. Je mag de natuur niet leegplunderen zoals we nu doen. Onze industrie gebruikt massaal veel water, de landbouw overleeft alleen via subsidies, heel Europa raakt intussen bijna volgebouwd, er komen almaar auto’s en wegen bij … In het bos merk ik dat het groeiseizoen, de periode dat de bomen in blad staan, in twintig jaar tijd met een maand verlengd is. Een week vroeger en enkele weken langer. Ik vind dat gigantisch. Alles blijft te lang doorgaan: we slaan de herfst bijna over. Vroeger had je teken tot eind oktober. Nu loop je ook in de winter kans op een tekenbeet. We kennen nu ook lange droge periodes: mijn eigen poel staat nu al twee jaar na elkaar droog. Periodes van twee, drie weken zonder regen: dat gebeurde vroeger veel minder.”

Verlangen en bewonderen

“Ik doe mijn job heel graag. Je ziet het bos dagelijks veranderen, en je werkt en leeft op het ritme van de natuur. En binnen honderd jaar staat mijn werk er misschien nog. ”

Jan is getrouwd en heeft drie kinderen. Dat hij tijdens de werkuren toch kan genieten van het bos, vindt hij prachtig. “Ik beleef nog zeer regelmatig wauw-momenten. Mijn job schenkt me veel voldoening, het is alsof je iets teruggeeft aan de maatschappij. Bomen planten is iets dat ik graag doe. Het is volgens wetenschappers ook de beste manier om de klimaatopwarming tegen te gaan. En binnen honderd jaar staat mijn werk er misschien nog. Je leeft en werkt ook op het ritme van de natuur. Soms ben ik bezig met de tractor om een plantplaats vrij te maken. Maar als je dan ’s middags je machine afzet, kan het zijn dat er tien minuten later een ree voor je neus staat. Of de vogeltjes beginnen te fluiten. De natuur zit vol verrassingen. Je ziet het bos bijna dagelijks veranderen, en het ene jaar is het andere niet. Je leeft en werkt met de seizoenen, met het hier en nu. En je leert ook om uit te kijken naar iets. De lente, de bloei van een bepaalde plant, het vallen van de bladeren. Je verlangt naar iets. En dat is een eigenschap die we in deze tijden misschien gaandeweg verleerd zijn.”

Guy Bourgeois publiceert zijn teksten en foto’s op zijn blog Een beetje Maguy.

Share