Vijftien jaar onderwijsbesparingen eisen hun tol

Om de vier jaar wordt de Pisa-enquête afgenomen en gepubliceerd. In alle Oeso-landen worden bij 15-jarigen standaardtesten afgenomen voor begrijpend lezen, wiskunde en wetenschappen. Dat is een belangrijk moment voor onderwijsinstellingen en regeringen. Steeds opnieuw stellen we vast dat de kinderen in het Nederlandstalige onderwijs minder scoren op deze testen. Als het gaat over taal-, reken- en wetenschapsonderwijs, daalt het niveau van onze kinderen al meer dan twaalf jaar. Voor wie met beide voeten in het werkveld staat, is dat geen verrassing.

Men zou dat allemaal weg kunnen relativeren met de idee “dat het maar een Oeso-studie is die enkel meet wat economisch interessant is en bijgevolg met een korrel zout moet worden genomen” of dat “deze enquête te veel focust op kennis en te weinig op vaardigheden” of nog “dat er weinig rekening gehouden wordt met de specifieke Brusselse meertalige context”

Maar deze daling moet zeer serieus worden genomen. Pisa is immers één van de weinige internationale genormeerde testen waaruit we dingen kunnen afleiden. Vijftien jaar besparingen in het onderwijs laten hun sporen na: het steunpunt Gelijke Onderwijskansen (GOK) en de mentoruren werden afgeschaft. Er wordt al vijf jaar op een rij drastisch geknipt in de werkingsmiddelen. De klassen worden alsmaar groter. De ondersteuning voor kinderen met extra noden werd meer dan gehalveerd. Leerkrachten roepen al meer dan tien jaar dat de toestand op het terrein niet meer houdbaar is. Al tien jaar luisteren de opeenvolgende kabinetten niet.

In Brussel moet ongeveer dertig percent van de inwoners rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens. Kansarmoede heeft een directe invloed op leerkansen. Een op de twee van de armste kinderen zit in het beroepsonderwijs versus een op de dertig van de rijkste kinderen. Een kind uit een arm gezin heeft zeven keer meer kans om een C-attest te krijgen dan een kind uit een rijk gezin. De uitdagingen in Brussel liggen op vlak van onderwijs hoger dan elders in Vlaanderen. De sociale lift die ons onderwijs zou moeten zijn, moet het beste kunnen werken in Brussel. Onze beste, meest geëngageerde leerkrachten moeten hier  lesgeven, onder de beste omstandigheden.

Maar wat zien we? Uitgerekend in onze hoofdstad stopt één leerkracht op de vier voor zijn vijfde lesjaar. Uitgerekend in onze hoofdstad storten de plafonds van scholen in. Uitgerekend in onze hoofdstad raken honderden vacatures niet ingevuld. Mensen zien het niet zitten om alleen voor een klas te staan, met zeer veel leerlingen die extra aandacht nodig hebben. Iets wat twee handen alleen niet kunnen geven. Het is de wereld op zijn kop.

Nu haalt Vlaams minister van Onderwijs Weyts nog eens honderd miljoen weg uit het secundair onderwijs. Daarnaast neemt de armoede in de samenleving toe. Rijken worden rijker, armer armer. Dat wil zeggen dat de kansen om tot duurzaam leren te komen, nog zullen afnemen. Toch wordt er niet gekeken of geluisterd. Het onderwijs wordt al vijftien jaar ondergefinancierd. De leerlingenpopulatie nam met tien percent toe. De investeringen in onderwijs namen met zeven percent af. Gepeld, zoals een ajuin.

Eens om de vier jaar schieten de beleidsmakers wel in een kramp: bij de publicatie van de Pisa-resultaten. Dan is het plots de schuld van de migranten “die het niveau naar beneden halen”, of de leerkrachten “die hun job niet goed doen”. Paniekvoetbal om het verband niet onder ogen te moeten zien. Het verband tussen deze resultaten en hun besparingen. Maar zoals struisvogels steken onderwijsministers en hun kabinetten hun kop liever in het zand. Zoals Weyts in Terzake: liegen over de besparingen en beweren dat het met meer taaltesten wel opgelost geraakt.

We moeten de dingen over een andere boeg gooien. Er moet dringend werk gemaakt worden van kleinere klassen, meer leerkrachten en een inschrijvingsbeleid dat een betere sociale mix genereert. Leerkrachten, vakbonden en onderzoekers hameren hier al lang op.

Gaetan Carlier

Leerkracht basisonderwijs Brussel

Share