Twee Deense doggen

Het was stil op straat. Bleven de mensen preventief binnen voor de storm die morgen lelijk zou huishouden?

Ik ging nog snel even naar de bibliotheek. Lectuur inslaan voor de volgende dag. In mijn bibliotheek keek ik altijd bij de nieuwe boeken. Ze stonden uitgestald op wandplanken, meteen links als je binnenkwam. Enkele weken geleden had ik hier een mooi boek gevonden, ‘De vriend’ van Sigrid Nunez. Over een vrouw die de Deense dog van haar beste vriend adopteert nadat die uit het leven is gestapt. Het was het eerste boek dat ik in twintigtwintig heb gelezen. Het was moeilijk een tweede boek te vinden dat ik even graag zou lezen. Ik nam de nieuwe Juli Zeh mee.

Op de terugweg vroeg ik me af of ik nog groenten nodig had, en bij de biowinkel zou binnenspringen. Ik had niet echt iets nodig, ik had genoeg groenten thuis.

Zou ik nog een pompoen kopen voor soep? En een aubergine voor bij de Indiase rijstschotel van vanavond? Ik liep naar de biowinkel, wilde de deur openen, maar dat ging niet vlot. Binnen zat, op de deurmat, een enorme Deense dog.

‘Il s’est bien installé là,’ zei ik lachend tegen het baasje dat naast hem waakte, een jonge vrouw met een wollen muts.

‘Ik ben al blij dat ze stil zit,’ zei ze, ook in het Frans, maar voor het gemak schrijf ik dit even in het Nederlands. O, het was een vrouwtje. Ik liep naar de aubergines, die tegenover de hond stonden.

Wat een toeval. Ik moest het baasje aanspreken. Ze leek me vrolijk genoeg om dit niet vreemd te vinden.

‘Ik heb pas een boek gelezen waarin zo’n hond voorkomt,’ zei ik.

Ik vertelde haar over de roman. Dat het hoofdpersonage de hond geadopteerd had van haar overleden vriend. En dat ze in een appartement woonde dat te klein was voor de hond. De hond kon de badkamer alleen achterwaarts uit.

‘Net als bij mijn moeder,’ zei ze. ‘Het is haar hond. Mijn moeder is gek van Deense doggen. Maar ze woont ook klein.’ Haar moeder was in de verte groenten aan het kiezen.

‘Mag ik een foto nemen?’ vroeg ik. Dat mocht, maar de hond stond niet graag op foto’s. Ze was heel beweeglijk. ‘De hond in het boek heeft ook niet zo’n makkelijk karakter,’ zei ik. Ik vroeg hoe haar moeder aan de hond kwam. ‘Ze komt uit een asiel. Ze was achtergelaten.’ ‘De hond in het boek was ook achtergelaten door zijn eerste baasje. Ook daarom kan de vriendin het niet over haar hart krijgen om hem opnieuw naar een asiel te sturen. Maar ze heeft problemen met haar huisbaas, want ze mag geen hond houden.’

De hond kwam naar me toegelopen. Ze was inderdaad heel beweeglijk en stond op bijna elke foto wazig. ‘Hoe heet ze?’ ‘Athena’. ‘Dat is ook toevallig, de hond in het boek heet Apollo.”Son premier nom était Lorena. Mais je voudrais un nom plus costaud,’ zei ze. Ik citeer dit in het Frans, omdat ‘costaud’ een moeilijk te vertalen woord is dat zowel ‘krachtig’ als ‘uit de kluiten gewassen’ betekent. En omdat het mooi rijmt op ‘Apollo’.

‘In het boek kennen ze de eerste naam van de hond niet,’ zeg ik. ‘Dat is een van de problemen, misschien luistert hij daarom niet echt.’ De hond in de winkel was net als de hond in het boek vrij oud. Ze hadden hem zeven jaar – maar dit was zijn tweede leven.

‘Je ziet niet vaak zulke grote honden,’ zei ik nog. ‘Nee, zo zijn er maar drie hier in de buurt.’

We namen afscheid. ‘Tot ziens!’ Ze woonden vlakbij mij.

In ‘De vriend’ zit een erg geslaagd vervreemdingseffect. Een scène die je als lezer een beetje van je stuk brengt. Omdat je begint te twijfelen aan het voorgaande. Heeft de schrijfster je beetgenomen? Wat is fictie? Wat is echt? Een zinloze vraag omdat alles in dit verhaal een verzinsel is. Of toch niet?

Wanneer ik met mijn pompoen en aubergine naar huis wandel en ook met nog wat boerenkool, komt de ontmoeting met de Deense dog me zo onwerkelijk voor. Alsof een hersenspinsel me had opgewacht.

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Share