Opgehokt

Rare tijden, heel de wereld geteisterd door een onzichtbare vijand die ongeveer alles lamlegt. Je wil het ‘monster’ een gezicht geven of op zijn minst een ander beeld voor ogen hebben dan het groen snotterig bolletje met buisachtige uitstulpingen dat in een twisted brein als het mijne aan een latex seksspeeltje doet denken (my dirty mind that on this very moment is no joy anymore).

Vandaag voel ik me voor het eerst een beetje moedeloos en claustrofobisch. Mag ik het wat van me af schrijven? Ik ben namelijk geen beller, nooit geweest. En de zaken die ik nu zie passeren, zijn al helemaal niet aan mij besteed: Zoom, Praatbox, Jitsi, Skype, Microsoft Teams, Houseparty, Google Meet, Whatsapp-videocall, enz. Noch in koorverband, noch voor onlinevergaderingen in werkcontext en eigenlijk ook niet voor familiezaken – al wil ik me voor dit laatste forceren indien nodig. Ik beklaag de mensen die plots gedwongen worden om via deze tools thuis te moeten functioneren, terwijl ze gelijktijdig een stel peuters, kleuters en/of tieners in toom moeten houden en schoolwerk dirigeren via nog andere elektronische platformen! En daarbovenop nog een huishouden moeten runnen…

Tot ik ziek werd verliep mijn coronamatisch leven nog vrij normaal. Ik ging alle dagen de deur uit naar mijn werk. Ik realiseerde me dat ik tot de happy few behoorde die nog gewoon naar buiten mochten als voorheen. Alleen, het was allesbehalve als voorheen. Onderweg werd het alsmaar wezenlozer omdat er haast geen ander levend wezen te bespeuren viel. Niet op de bus noch op de trein, maar ook niet wanneer ik me met de wagen verplaatste wegens ontoereikend openbaar vervoer. ‘s Avonds laat reed ik met de auto over lege rijvakken, ik wachtte als enige automobilist een kwartier tot een ellenlange goederentrein voorbijgesjoekt was maar er stond ondertussen niet één voertuig méér voor de barelen. Ook geen voetganger of fietser.

Overal werd er alleen nog maar gecommuniceerd over vorona si en corona là. De briefings op het werk waren verre van ‘brief’ en ze gingen vooral over de in het coronaverhaal passende voortdurend wijzigende afspraken, maatregelen, voorwaarden, veiligheidsvoorschriften en penaliseringen bij overtredingen daarvan binnen ons opvangcentrum. Het coronahandboek. De coronalijst (van mogelijk besmette bewoners die in quarantaine gezet werden). De corona-wiki, enz.

Door de nieuwsbulletins en de duidingsprogramma’s die je overal om de oren slaan, ja die zich ronduit aan je opdringen en die alléén maar over het virus gaan, ging ik angstig worden. Hulp, ik kom alle dagen buiten! Hulp, ik begeef me dagelijks tussen honderden mensen die de afstandsregels (althans de eerste weken) niet zo nauw nemen. Ook niet altijd nauw kúnnen nemen want verzoekers om internationale bescherming in een opvangcentrum leven noodgedwongen enorm dicht op elkaar. Ze slapen met 4 tot 7 op één kamer, ze eten in een refter die sowieso al te klein is, ze maken gebruik van gemeenschappelijk sanitair, van gemeenschappelijke tv-ruimten, van een gemeenschappelijke fitnessruimte, van gemeenschappelijke laptops, van gemeenschappelijke strijkijzers en -planken, spelmateriaal, poetsgerief; materiaal dat ik en mijn collega’s beheren, hanteren. Bovendien is het niet eenvoudig om al die ingewikkelde – en vaak veranderende – informatie aan anderstaligen uit te leggen!

In het begin mochten wij, werknemers, geen mondmasker dragen (de bewoners zouden kunnen denken dat we ziek waren en ook allemaal mondmaskers eisen, en… er waren onvoldoende mondmaskers). Dan mochten we enkel onder strikte voorwaarden in bepaalde situaties chirurgische mondmaskers voorbinden. Nu moéten we mondmaskers (gaan) dragen!

De vraag was op den duur niet meer of ik ziek zou worden, dan wel wanneer. Het onvermijdelijke gebeurde. Ik werd ziek. En ook mijn partner werd ziek en dat was erger. Want hij behoort tot een risicogroep of twee, drie.

Reeds bijna drie volle weken ben ik nu arbeidsongeschikt verklaard en mag ik het huis niet verlaten. Nog eens zovele dagen en het is letterlijk een ‘quarantaine’. Nooit eerder voelde ik me zo volkomen arbeidsongeschikt. Van week tot week moest ik mijn huisdokter bellen voor een evaluatie van de symptomen en telkens schreef ze een verlenging van het attest want ik was overduidelijk niet in staat om mijn werk te verrichten. Ik was “geen sjiek waard”. In het begin waren er koorts, hoofdpijn, spierpijn en stijve gewrichten, hoesten, geen stem meer hebben en vooral: moe zijn, altijd moe zijn, enkel willen slapen en in de zetel hangen. Ook de hele vreemde gewaarwording dat je je reukzin volledig kwijt bent, en niets meer proeft.

Daarna leek het te verbeteren maar het hoesten blijft en zeker het vermoeid zijn doorkruist je plannen om weer aan de slag te kunnen. Het gaat veel op en af, het lijkt beter en dan gaat het toch weer in neerwaartse spiraal. Je wil op een dag eens proberen om al die vuile was te doen want het wordt zo’n enorme stapel. Oké, daar is een apparaat voor, maar je moet ervoor naar beneden, je moet de was sorteren en daadwerkelijk in de machine steken en er product bijvoegen, na het wasprogramma de kledingstukken aan het rek te drogen hangen enz. Aan het eind van de rit ben je uitgeput en laat je die was maar wapperen want je kan amper uit de zetel.

Wat een geluk dat er lieve vrienden zijn die boodschappen aan huis brengen. Maar zelfs het bedenken en doorzenden van een boodschappenlijst vraagt soms te veel energie.

En wat een geluk dat mijn liefste meestal kookt en de heerlijkste maaltijden op tafel tovert. Tot hij (te) ziek werd en zelfs opgenomen moest worden in het ziekenhuis.

Dat is het allerergste, je wil niet weten hoe het voelt om je geliefde in een ambulance te zien verdwijnen en hoe een slap zwaaiend handje als een mogelijk lang of in het ergste geval zelfs definitief afscheid aanvoelt. Want deze onzichtbare vijand heeft al veel mensen weggerukt. Pijnlijk.

Y. wordt snel beter. Momenteel bevindt hij zich in die akelige omgeving waar verplegenden en dokters er eerder als brandweerlui uitzien met hun bevreemdende uitrusting. Er wordt keigoed voor de patiënten gezorgd, maar er mag helemaal geen bezoek komen en de organisatie loopt soms spaak omdat er een hele reorganisatie gebeurde waarbij vaak minder mensen het hele logistieke en verzorgende gebeuren op een andere afdeling op een heel andere wijze moeten bolwerken. Chapeau voor hen allen!

Ik ben blij dat mijn partner niet op intensive care ligt, hij is bij de ‘gelukkigen’ voor wie er vrijwel zeker een gunstige prognose is.

Een nieuw tijdperk lijkt aangebroken. Vroeger toen de dieren nog spraken wordt nu vroeger toen we elkaars grimassen en glimlachen nog konden onderscheiden, toen we elkaar nog een welgemeend schouderklopje konden geven, elkaar tijdens het groeten nog over de rug konden wrijven of in elkaars armen konden vliegen nadat we elkaar een poosje niet gezien hadden. Toen kinderen nog onbezorgd mochten ravotten en op elkaar springen, proeven van elkaars lolly, elkaar kopje onder duwen in het zwembad. Toen leerlingen bij een toets nog een poging konden doen af te kijken van hun ijverige buur. Toen we onze ouders nog onbeperkt mochten knuffelen, ook al waren ze reeds 80 en ouder, al dan niet in een rust- en verzorgingstehuis. Toen we in trein of bus nog rustig een praatje konden slaan met wie naast of tegenover ons zat. Toen mensen niet hoefden te aarzelen om een beetje te flirten op een bank in het park. Toen we nog lekker konden wegzakken in een cinemastoel en geïrriteerd een boze blik konden werpen op een luidruchtig chipsetende cultuurbarbaar vlak naast ons.

Nu zal een (denkbeeldige?) meetstok deel gaan uitmaken van het dagelijks leven.

Maar. Alles wordt beter. Als we ooit de maskers mogen afzetten.

Mattie Billen schreef deze tekst voor de blog Pierewit.

Share