Het verborgen leven van René Magritte

Dat het nooit goed zou komen tussen René Magritte en mij, wist ik al heel lang. Ik heb namelijk altijd moeite gehad met het imago van brave burgerman dat hij meedroeg. Geef toe: een schilder wiens beroemdste schilderij-met-de-pijp ‘La trahison des images’ heet (Het verraad der beelden), verdient toch enig gezond wantrouwen?

Ooit sprak ik met Georgette Berger, weduwe Magritte. Of liever: ooit was ik aanwezig bij een gesprek tussen haar en wijlen mijn vriend, de discrete kunsthandelaar en galeriehouder Louis Hutse uit Jette, die de schilder goed had gekend en nog regelmatig met zijn weduwe contact had. De Magrittes hadden een kwarteeuw op een paar honderd meter van hem gewoond, vandaar.

Plaats van het gebeuren was de hal van het Congressenpaleis onder de trappen van de Kunstberg in Brussel. Ik weet niet meer welke tentoonstelling er geopend werd, maar Georgette en Louis raakten in gesprek over schilderspraktijk van haar man.

Nu moet u weten dat Georgette Berger, hoewel ze vijfenveertig jaar met de kunstenaar getrouwd was geweest – van 1922 tot zijn dood in 1967- zeker geen al te betrouwbare bron is (was) als het om zijn oeuvre gaat! Zo schreef zij, uiteraard tegen fikse vergoeding, nogal wat certificaten uit wanneer haar een werk ter authentificatie werd getoond. Haar gevleugelde woorden “C’est sans aucun doute de René: j’étais là quand il l’a peint!” werd bijna een running joke in Brusselse kunstmiddens. Zelf heb ik een aantal tekeningen gezien waarop zij zijn handtekening in balpen had gezet “omdat het potlood erg vervaagd was”. In die tijd waren de schilderijen van haar man misschien wel al veel geld waard, maar de meesten waren reeds lang in het bezit van galeristen en verzamelaars. Zijzelf bezat amper nog werk van haar overleden echtgenoot. En ze had geld nodig. Georgette was ongetwijfeld een zeer aantrekkelijke vrouw geweest, maar op het einde van haar leven (ze werd vijfentachtig) werd het steeds moeilijker om de jonge mannen met wie zij graag omging te motiveren om haar te vergezellen in de duurste restaurants.

Enfin, in die hal probeerde Louis, die welopgevoed was, met veel tact haar te laten toegeven dat de grote kunstenaar die – volgens zijn legende althans – eenzaam in zijn eetkamer of keuken aan zijn omvangrijk oeuvre werkte, af en toe ‘wat hulp van assistenten had gekregen’. Ik herinner mij zijn woorden nog letterlijk: “Mais enfin, Georgette, vous devez quand même avouer que René s’est parfois fait aider!” (Komaan, Georgette, u moet toch toegeven dat René soms wat hulp gekregen heeft!) Waarna de hoogbejaarde weduwe bits repliceerde: “Mais c’est un mensonge! Où allez-vous chercher cela? Il a toujours tout peint tout seul. J’étais là!” (Maar dat is een leugen! Waar haalt u dat vandaan? Hij heeft altijd alles alleen geschilderd. Ik was erbij!)

“Mais enfin, Georgette, regardez!” vervolgde Louis, We stonden voor een fresco van haar man. “Regardez, c’est écrit là!”, zei Louis Hutse wat misnoegd over zoveel duidelijke kwade wil. En inderdaad, onder de handtekening van Magritte stond geschreven: ‘Exécutant: P.W. De Muylder’ (Uitvoerder: P.W. De Muylder). Dezelfde De Muylder, leraar schilderkunst aan en later directeur van de academie van Sint-Jans-Molenbeek, die trouwens de grote werken van Magritte in het casino van Knokke uitvoerde. Zonder een woord keerde zij ons de rug toe en verdween, champagneglas in de hand, tussen het volk.

Later zou diezelfde galeriehouder voor mijn ogen een brief uit zijn kluis halen en liet mij lezen: “Mon cher … tu es le seul qui arrive à peindre comme je le veux. Je te joins les … francs (ik herinner mij de som niet meer precies) promis et encore quelques croquis.” (Mijn beste… je bent de enige die kan schilderen zoals ik het wil. Hierbij de beloofde … franken en nog wat schetsen.) Ik had maar wat graag de brief meegekregen, of een kopie ervan, want daar zat een smeuïg artikel in, maar mijn goede vriend zei mij dat daar geen sprake van kon zijn; hij bezat zélf nog een aantal schilderijen van de Meester en wou de waarde van zijn kapitaal niet kelderen. Zonder de schriftelijke bewijzen kon ik er natuurlijk niets over schrijven. Daar ging mijn primeur. Maar dit terzijde.

Monsieur Tout-le-monde

Ik heb dus nooit veel waarde gehecht aan het beeld van een ‘monsieur-Tout-le-monde’ die in de beslotenheid van zijn bescheiden huisje een teruggetrokken leventje leidde, samen met zijn vrouw Georgette. Het dagelijks uitlaten van de keeshond Loulou kon toch moeilijk zijn enig vertier zijn? Er moest toch iets anders zijn? Iets wat meer in de lijn lag van de verwachtingen als het ging om een kunstenaar die in zijn jonge jaren revolutionaire manifesten opstelde of ondertekende. Was het jeugdige provocatie? Misschien, maar feit is dat achter de man met de eeuwige bolhoed een andere René Magritte schuilging. Eentje die hij op latere leeftijd blijkbaar het liefst wou vergeten of in elk geval doodzwijgen. Zelfs met zijn trouwste vrienden of biografen sprak Magritte nooit of slechts in vage termen over zijn wilde jaren. Hij stelde onomwonden: “Je hais mon passé et celui des autres!” (Ik haat mijn verleden en dat van de anderen!) Misschien was er wel een goede reden om niet meer achterom te kijken?

Eén man heeft dertien jaar van zijn leven gewijd aan het ontrafelen van dit mysterie. Tussen 1985 en 1998 ondernam de Belgische psychoanalyticus Jacques Roisin een speurtocht naar ‘René avant Magritte’ en publiceerde de schokkende resultaten van zijn onderzoek in ‘René Magritte, la première vie de l’homme au chapeau melon’. Het boek van zo’n 250 pagina’s leest als een roman, hoewel de auteur er een erezaak van gemaakt heeft zijn weergave van de feiten uiterst grondig te documenteren. Vijfendertig pagina’s bibliografie en voetnoten staan garant voor accurate citaten. Wanneer zijn bronnen wat twijfelachtig zijn, durft Roisin te vermelden dat de getuige bijvoorbeeld door zijn of haar hoge leeftijd wat verward overkomt of geheugenproblemen heeft. Ook confronteert hij regelmatig tegenstrijdige bronnen, de lezer kan dan wel de conclusie trekken.

Een voorliefde voor excrementen

René Magritte was in zijn jeugdjaren een regelrecht crapuul dat, samen met zijn twee broers Paul en Raymond, zijn omgeving het leven zuur maakte. Hij hield van practical jokes waarbij zijn voorliefde voor excrementen opvalt. Drollen werden op deurklinken gesmeerd, of in kranten gewikkeld aan voordeuren gelegd en dan in brand gestoken. De organist van de kerk kreeg zelfs een volle emmer stront vanop een brug over het hoofd gekieperd.

Ook was René op zeer jonge leeftijd al een regelmatige bezoeker van de hoerenbuurt van Charleroi. Op vijftienjarige leeftijd moest hij samen met zijn oudste broer, behandeld worden voor syfilis!

Natuurlijk waren er verzachtende omstandigheden. Zo was Léopold Magritte verre van een voorbeeldige vaderfiguur. Half zakenman half oplichter, slaagde hij erin tweemaal een groot fortuin te vergaren om dat dan te verspelen in wilde braspartijen en op de paardenrenbanen van Brussel. De hautaine man werd gehaat in zijn opeenvolgende woonplaatsen, niet het minst omdat hij zijn echtgenote op schandalige wijze behandelde. De moeder van Magritte pleegde trouwens zelfmoord door in de Samber te springen toen René veertien was. In hun woonplaats Châtelet werd onomwonden de schuld van het drama bij vader Magritte gelegd.

Allesbehalve een vlijtige student

René Magritte ontmoet Georgette Berger wanneer zij amper twaalf jaar oud is. Eerder had hij al een ‘affaire’ gehad met de even jonge dochter van de conciërge van het oude kerkhof van Soignies (Zinnik) – het dorpje waar hij de vakanties bij zijn grootmoeder doorbracht; ze ‘speelden’ er vaak samen in opengebroken graftombes. Zijn eerste schilderijen maakte de jongeling trouwens in datzelfde kerkhof waar hij de schilder Léon Huygens aan het werk had gezien.

Wanneer Magritte vanaf oktober 1915 naar de Brusselse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten trekt, is hij allesbehalve een vlijtige student. In het verlengde van zijn eerdere strapatsen blinkt hij vooral uit als het om drinkgelagen en studentikoze grappen gaat. Hij volgt er wel onregelmatig les bij Montald en Combas, maar neemt meer niet dan wél deel aan de eindproeven. Uiteindelijk houdt hij het daar in 1919 voor bekeken.

De Eerste Wereldoorlog belette René niet om zijn liederlijk leven in Brussel voort te zetten. Hij aarzelde daarvoor zelfs niet opdrachten voor affiches van de Duitse bezetter te aanvaarden (Magritte had zich in 1915 ook als vrijwilliger aangeboden om in Duitsland te gaan werken, maar dat plan werd op het nippertje verijdeld door zijn vader die hem van de trein kwam plukken). Hij liet die affiches trouwens voor een habbekrats uitvoeren door berooide medestudenten en stak het ruime verschil in zijn zak.

Naar Parijs en terug

In Brussel ontmoette hij weer Georgette, die verkoopster was in een winkel van schilder- en tekengerief. Ze werden een koppel en zij poseerde vaak voor hem. Magritte behandelde haar echter slecht: tegen haar levenslange vriendin Jacqueline Nonkels, bekende zij later dat hij haar regelmatig opsloot terwijl hij nachtenlang op stap ging met zijn vrienden. Georgette bleef ook na hun huwelijk in 1922 in de ‘Cooperative Artistique’ werken en haar loon was lang het enige regelmatig inkomen van het koppel tot Magritte in 1926 een contract kreeg bij P.G. Van Hecke, die hem in ruil voor schilderijen een bescheiden maandloon uitkeerde. Van Hecke, die het contract deelde met galerie ‘Le Centaure’, hield een tweehonderdvijftigtal doeken over aan de deal, zowat een kwart van het totale oeuvre van de schilder! Met dat maandgeld kunnen de Magrittes zich nabij Parijs vestigen en kan René zich volledig aan de schilderkunst wijden. Ze vertoeven er in de kringen rond de ‘Paus’ van het surrealisme, André Breton.

Een vreemd voorval ligt aan de basis van hun terugkeer naar België en de jarenlange ruzie tussen Magritte en Breton. Deze laatste dreef op een avond de spot met het kruisje dat Georgette om de hals droeg en eiste dat ze het zou afleggen. Magritte stond op met de woorden: “Viens, Georgette. On s’en va!” Het zou twintig jaar duren vóór hij naar Parijs terugkeerde.

Het vreemde is dat René, in zijn academietijd, er zélf een duivels genoegen in schiep om de draak te steken met de godsdienst. Het leidde zelfs tot een hevige ruzie met zijn vriend en medestudent Pierre-Louis Flouquet die erg gelovig was en die door de constante aanvallen van René in een depressie geraakte.

Tijdens zijn kinderjaren in Châtelet dreef de kleine René (misschien onder invloed van zijn hevig antiklerikale vader?) regelmatig de spot met de pastoor door op de dorpel van het huis van zijn ouders de mis op te dragen, gehuld in zelfgemaakte papieren kazuifels. Hij maakte ook tientallen keren achter elkaar het kruisteken vóór het eten, tot wanhoop van de meid die onomwonden tegen zijn moeder zei: “Madame, votre fils est complètement fou!”. Misschien was er dus wel een andere reden om Parijs te verlaten en was het incident met het kruisje een voorwendsel?

‘Gene gewone’

Dat Magritte in zijn jeugd ‘gene gewone’ was, blijkt ook uit de tientallen getuigenissen over die jaren die Jacques Roisin verzamelde. Zo vertelden gewezen klasgenoten dat de jonge René door seks bezeten was en tijdens de studie zijn schriften voltekende met gewaagde tekeningen. Zijn vader bezat trouwens een grote verzameling ‘pornografische’ bladen. Die vader liet zijn gezin regelmatig achter om ‘op zakenreis’ te gaan. Hij liet daarbij zijn zenuwzieke vrouw vaak zonder geld achter, maar zijn drie zoons kregen van hem dan weer grote sommen geld toegestopt. René en zijn broers Raymond en Paul waren dus volledig op zichzelf aangewezen.

Uiteraard bleef dat niet zonder gevolgen: hun kattenkwaad werd alsmaar driester en hun gedrag losbandiger. René werd al zeer jong een bordeelbezoeker en pochte tegen zijn kameraden dat hij het ook met de minnares van zijn vader deed. Dat kan natuurlijk stoerdoenerij geweest zijn, maar feit is dat hij al voor zijn vijftiende voor een venerische ziekte moest behandeld worden, net als zijn oudere broer.

Later zou Magritte over zijn kunst verklaren; “L’art n’a pas besoin d’analyse ou d’interprétation, mais de commentaire.” Als een van de weinige surrealisten zag hij niets in de theorieën van Freud en verzette zich tegen interpretatie van zijn werken vanuit het onderbewuste. Het siert Roisin, die zelf psychoanalyticus is, dat hij die invalshoek voor het grootste deel achterwege laat. Zijn onderzoek baseert zich op honderden interviews en ontmoetingen met protagonisten en getuigen.

Oedipiaanse, dieptepsychologische of Freudiaanse analyse laat hij voor rekening van de lezer. De feiten spreken ruimschoots voor zich, zal hij gedacht hebben. We kunnen hem geen ongelijk geven.

René Magritte. La première vie de l’homme au chapeau melon verscheen in 2014 bij uitgeverij Les Impressions Nouvelles.

Yves de Vresse schreef deze bijdrage voor de blog Pierewit.

Share