De kaakslagflamingant

Louis is een overtuigde flamingant. Hij heet eigenlijk Lode, maar we noemen hem Louis. Dat irriteert hem soms. ‘Ik noem Lode,’ roept hij dan. Wij repliceren: ‘Je heet Lode, maar wij noemen je Louis.’ En dan weet hij niet meer wat te zeggen. Zoals bij de meeste flaminganten is zijn Nederlands niet zo goed.

(c) Taverne du Passage

Hij is een goede vriend, valabele kerel, maar dat flamingantisme, het is niet gemakkelijk om dat erbij te nemen. Bij hem is het vooral een kaakslagflamingantisme. Hij voelt zich altijd verongelijkt en tekort gedaan. Een woord Frans in zijn omgeving is een persoonlijke belediging en hij kan dan heel kregelig en vervelend worden. Vlaming zijn, of flamingant, dat ziet hij als zijn opdracht, zijn identiteit, en dat moeten wij, zijn vrienden maar aanvaarden.

Zijn familie met haar donkere geschiedenis heeft er genoeg voor afgezien. ‘In het collaboratiecachot, zeker,’ roept Linkse Willy dan. Willy krijgt het op zijn heupen van dat slachtoffergedrag van de zwarten, zijn vader was bij de Witte Brigade en hij werd door een zwarte geliquideerd. Maar toch, we zijn vrienden, en we proberen onze verschillen te overstijgen.

Dus, die avond zaten we in de Taverne du Passage in de Brusselse Koningsgalerij. Louis, Willy, Hubert en ikzelf. We gingen americain met friet eten. De zaak is daarvoor bekend. We verheugden ons op een gezellige avond eten, drinken, babbelen, roddelen, grappen vertellen. Oude vrienden onder elkaar, quoi.

Louis roept de ober. ‘Garçon!’ De obers in de Taverne du Passage dragen nog zo’n ouderwets wit vestje, koperen knopen, en zwart-gouden epauletten. Een rijzige man met een tarwekleurige huid en donker haar komt naar ons toe. Hij buigt lichtjes voorover, bekijkt ons alle vier in de ogen, glimlacht uitermate vriendelijk en hij zegt: ‘Messieurs. Vous désirez?’

Ik zie Louis verstijven. ‘Vlaams’, blaft hij. De ober is erg verschrikt door de brutale toon van Louis en hij is compleet verbouwereerd. Hij bevriest en hij kijkt hulpeloos naar ons, de tafelgenoten van Louis. Deze pijnlijke seconden lijken eeuwen te duren. De ober herpakt zich, en probeert het in het Engels. ‘Gentlemen, good evening. How can we serve you?’ Vriendelijk en beleefd, maar iets meer op zijn hoede.

Louis blaft opnieuw, ‘Vlaams!’ Willy en Hubert zeggen niets. Ze willen Louis helemaal op zijn vlaamskiljonse bakkes laten gaan, in dit gerenommeerde Brusselse restaurant dat heel veel internationale toeristen aantrekt. Mensen aan andere tafels beginnen naar ons te kijken. Ik hoor er een zeggen. ‘Voilà les flamouches’. Alsof er nog iets moest bewezen worden. Subtekst : Vlamingen zijn grove boeren, onbeschofte hufters die niet thuis horen in een klasserestaurant.

Ik sta op en ga de manager halen. Die staat achteraan aan de toog de zaak te superviseren. De zaak zit redelijk vol. Ik fluister hem in het oor dat we een communautair probleem hebben. Hij geeft me een wereldwijze knipoog en stapt gezwind op onze tafel af. ‘Heren. Welkom in de Taverne du Passage.’ Perfect Nederlands, met een licht Hollands randje. Willy vraagt neutraal: ‘Mogen wij de kaart?’ ‘Natuurlijk.’ De manager geeft teken aan de verbouwereerde ober.

‘Wacht eens even.’ Louis kan het niet laten. ‘Wij werden in het Frans aangesproken door deze man.’ Alsof er een roofmoord gepleegd werd, de natuurlijke orde van het universum verstoord werd en hij tot in het diepst van zijn wezen mishandeld werd. De manager neemt het rustig op , de ober is de menu’s gaan halen. Louis zegt het nog eens. ‘Wij werden in het Frans aangesproken.’

‘Ja, dat is mogelijk. We hebben heel veel nationaliteiten in ons cliënteel. 75 procent van onze klanten spreekt Frans, 20 procent Engels en 5 procent Nederlands. ’Hij laat een stilte vallen om Louis de kans te geven zijn klacht uiteen te zetten. Die stilte zegt: wat is er met jou aan de hand, man?

Louis begint ongemakkelijk op zijn stoel te schuiven. Hij weet dat hij in deze materie geen steun van zijn maten moet verwachten. ‘Je hebt hem ‘garçon’ genoemd, toen je hem geroepen hebt, Louis. Dan verwacht de man dat er Frans zal gesproken worden.’ zegt Willy. ‘Je had ober kunnen zeggen.’ Hubert steekt het mes nog wat dieper en voegt er ook wat zout bij. Louis zit erbij als door de hand Gods geslagen.

De verkoper in de manager neemt over. ‘Zal ik de bestellingen opnemen, heren?’ ‘Vier keer americain,’ zeg ik. ‘Wenst u een voorgerecht?’ ‘Wat stelt u voor? ‘We hebben zeer lekkere ajuinsoep, of escargots. Of carpaccio van zalm.’ Louis vindt nog steeds dat hij onheus is behandeld en hij zit ostentatief te mokken.‘Kan die man geen Nederlands?’ Wij draaien onze oogbollen naar boven, en Willy zegt: ‘Het is nu genoeg, Louis.’

De manager zet zijn meest empathische gezicht op, maar de blik in zijn ogen is duidelijk verhard. ‘Achmed is twee jaar geleden uit Syrië als vluchteling in België aangekomen. Hij is tandarts en zijn hele familie werd door de Assad-clan uitgemoord. Zijn vader was een vooraanstaande politicus en er staat nog steeds een prijs op het hoofd van Achmed. La Taverne du Passage helpt met vluchtelingenwerk en ik heb hem aangeworven omdat hij redelijk Frans en Engels sprak, en omdat hij hard werkt, heel vriendelijk en beleefd is tegen onze klanten. Wij zijn allemaal heel trots op Achmed en veel klanten komen speciaal voor hem. Wij zullen hem graag ook Nederlandse les laten volgen. Bent u misschien bereid om hem Nederlands te leren?’

Zo’n verpletterende glimlach heb ik nog nooit gezien. Noch zo’n harde blik in zijn ogen. En Louis? Louis, die was uitgeteld. Ik had bijna medelijden met hem. Maar het is zoals mijn moeder altijd zei: ‘Wie zijn gat verbrandt, moet op de blaren zitten.’

Jan Flamend (Sint-Truiden, 1959) studeerde Germaanse Filologie en Filosofie. Na zijn academische carrière aan het Instituut voor Literatuurwetenschap aan de K.U.Leuven, stapte hij over naar het zakenleven en werd hij commercieel directeur bij Hewlett Packard en bij Ubizen. In 2000 richtte hij het opleidingsbedrijf Valueselling op.

Share