Een man weifelt tussen Johnny Rotten, de Hare Krishna en Charles Manson. Hij is helemaal kaalgeschoren, met een vergeten plukje haar,
zomaar ergens achteraan op zijn hoofd.
Hij draagt een rugzak in de vorm van een langgerekt knuffeldier, ook het dier weifelt tussen een aap, een giraf en Schanulleke.
Zijn vriendin draagt hele zware schoenen – of laarzen ?
Ik dacht eerst dat ze een klompvoet had. Beide zolen zijn minstens 10 cm hoog, daarboven draagt ze zware dikke kousen, maar bovenaan zijn de schoenlaarzen helemaal open, zoals dit gebruikelijk is bij sandalen.
Ook deze vrouw aarzelt, en plein hiver, tussen lente en herfst.
Onbestemde mensen.
Thuis slapen ze op stoelen en eten op bed.
Mensen met een kantje af, waarbij het in de zomer al om halfzeven donker is.
Aangespoeld, verloren gelopen of blijven hangen ?
Er zijn er met bosjes in de stad.
Vanwaar komen ze, waar gaan ze heen ? Hoe overleven ze ?
Even onbestemde antwoorden.
Continue reading ‘De Onbestemmelingen’
Een drietal jonge kereltjes bewegen zich rond een grijze Audi in de Zespenningen.
Eéntje achteraan, de anderen opzij.
Willen ze de wagen molesteren, glasbraak plegen, carjacken ?
Niets van dat alles, hun bal is er gewoon ondergerold en moet onderaan in het midden van het voertuig zijn stilgevallen. Hun armpjes zijn te kort om er bij te kunnen. Vervelend.
Net op dat moment komt de dikke chauffeur eraan.
Hij is al druk aan het sticuleren als hij de kwajongens ontwaart rond zijn auto.
Bovendien begint hij te roepen in het nederlands.
Dat is zijn goed recht – alleen : de jonge snaken snappen er geen snars van.
Vermits de kinderen niet wijken, pakt hij meteen de kleinste bij de kraag en scheldt hem de huid vol.
De kleine begrijpt er niets van.
Zoveel drukte voor een verloren voetbal ?
Continue reading ‘Brussel en zijn oorlogzoontjes’
Met z’n tweeën snoezen ze arm in arm de Kunstberg af. Jong stel op citytrip naar Brussel, enkele dagen voor valentijn.
Net of de liefde een spel speelt: dezelfde kleur van jas, identiek brilmontuur, verstrengelde sjaal…
Voor het muziekinstrumentenmuseum houden hun benen halt. De ene arm voor eeuwig aan die van de andere verankerd. In de nog vrije hand houden ze, elk apart, een oogje vast – dat ook dienst doet als oortje, maar nu even niet.
Met een knip staan de twee identieke plaatjes erop: nee, niet de naar de keel grijpende art-nouveaugevel van het museum, wel het grijze gewelf van het congresgebouw.
Zo nemen ze de stad in zich op: met parallelle uitwendige ogen – dat geeft dieptezicht. De controle over de vier kijkers op hun hoofd is immers overgenomen door de inwendige lavastromen waartegen zelfs geen muziekgevel bestand is.
http://motiveerdeverbeelding.blogspot.com
Er zijn zondagnamiddagen dat ik er gewoon van geniet om rustig op een bankje in het Warandepark een boek te lezen.
Wat mij dan telkens weer uitermate verbaast zijn de talrijke stadsgenoten die veeleer verkiezen hijgend door het park te galopperen.
Ten gerieve van de sociologen, die binnen pakweg tweehonderd jaar de gewoontes van mensen in de stad in kaart zullen brengen, geef ik hierbij een korte handleiding.
Gelieve te noteren dat het slechts over één uur in de namiddag gaat op een doordeweekse zondag. Het onderwerp verdient grondiger onderzoek.
De eerste die uit de bocht komt is de Stofzuiger. Hij heeft een ongemakkelijk, veel te groot joggerspak, een slenterende parachute.
Heel soms struikelt hij lichtjes als zijn broekspijpen weer onder zijn Reeboks glijden. Om één en ander te verhelpen schuifelt hij voort, hij heft amper zijn voeten op. Zonder twijfel is hij celibatair.
Na de Stofzuiger passeert de Nonchalante, het is een nog jong meisje, eerder breed bemeten.
Het kan haar allemaal niet schelen, waarom loopt ze hier ?
Ze weet het zelf niet – ze heeft de vervelende contre-goûtloop, eigen aan dikke meisjes tijdens de turnles.
Daarachter moet ik plaats maken : daar is de Gehaaste weer.
Man’s gezicht is altijd gespannen en verbeten. Misschien loopt hij tegen zichzelf en dat kan je natuurlijk nooit winnen.
Waarschijnlijker is dat hij gewoon heel gehaast is, hij heeft een kwartiertje vrij gekregen van zijn vrouw en moet in die tijd al zijn rondjes malen. De stress van thuis lees je van zijn verbeten gezicht, vijftien minuten zijn te weinig om één en ander van zich af te lopen.
Continue reading ‘Kleine Encyclopedie van de Hardlopers’

Place d'Ath entre 1817 et 1821 (Jean-Baptiste Madou) - Postkaart uit het begin van de 20ste eeuw
Voor velen is het niet veel meer dan het metrostation tussen Kruidtuin en Kunst-Wet. Een plek waar je een halve minuut per traject stilstaat. Doordat ik ondertussen reeds meer dan een jaar in Sint-Joost woon en in de buurt van het Barricadeplein werk, is dit station voor mij tweemaal daags de veilige corridor onder de kleine ring. Toch is het pas toen ik een nieuwe collega rondleidde in de buurt, dat mij begon te dagen dat ik helemaal geen benul had waar de naam ‘Madou’ vandaan kwam. Tijd dus voor een zoektocht naar waarom “Madou” “Madou” heet.
Continue reading ‘Waarom Madou?’
“Ne pei van tachtig joer mag met e maske van 18 joer, maar ne
kadei van 18 joer mag nie poepen met zaan freule van zestien joer.”
Inderdaad, daar zit wat rek op.
Twee clochards in de Poverello willen daarrond mijn mening horen.
Ze hebben één en ander uit de Metrokrant die ze net opzij legden.
Ik heb direct een voltreffer achter de hand :
“Sommige maskes van 16 jaar hebben veel meer mature dan ne ket van 18 jaar.”
Het is maar de vraag wie wie verkracht in deze.
“En misschien past het maske van 18 jaar wel op dieje pei van 80 joer ?”
Het is allemaal hoe ge het beziet.
Veel verwarrende insteken voor de twee clochards.
Ze laten het dan ook meteen rusten.
Continue reading ‘Poverello’
Vrijdagavond, 17 uur. Ik spoor vanuit Gent terug richting Brussel. Twee heren van laat-middelbare leeftijd die aan de andere kant van de middengang zitten, discussiëren passioneel over de tegenvallende verkoopcijfers van hun Brugse filiaal.
Ik probeer mijn gedachten te laten afdwalen in de ritmiek van de trein en het geroezemoes van de andere passagiers. Ik word echter gemakkellijk weer naar de woorden van de gesnorde maatpakken geleid, maar voel me telkens een beetje schuldig als ik dat bewust merk. Ik wil niet luistervinken, ben geen voyeur… of is het meer uit angst betrapt te worden? Slaperig onderga ik het komen gaan van flarden en geniet ervan. Ik soes zachtjes weg.
Plots hoor ik “Bon, en ce cas, on doit faire un staff “. Zonder aarzelen belt hij een viertal mensen, de informatie beperkt zicht telkens tot een korte uitwisseling van beleefdheden en het zo mogelijk nog kortere “Un staff, ce soir, 20:00“. Niemand van de opgebelden vraagt om meer info, men is hier blijkbaar al aan gewend. Pfff, op vrijdagavond – ik ben plots dubbel zo blij dat mijn werkdag erop zit. In Brussel-Zuid neem ik met een knikje afscheid van de zakenmannen. Op hun vergadering zal zeker ook zwaarwichtig geacteerd worden, maar geef mij toch maar het afspraakje in de bios die mijn vriendin en ik vanavond hebben.
Veel later, wanneer we voor onze slotbeschouwingen en twee keer “een laatste” een warm café induiken, tref ik de twee treinvrienden weer. Aan een lange tafel, met een 10-tal anderen, bijna onherkenbaar door hun veel lossere pulls en jeans. Nog altijd bezig met hun staff… een avond onder vrienden in de Falstaff.
Twee vrouwen met identieke klokhoedjes houden zich giechelend staande op de rolband. Ze kunnen de tot de nok gevulde winkelkar amper overeind houden.
Maman heeft alles betaald voor dochterlief – als het roze bedovertrek valt lachen ze beiden uitgelaten.
Een mager meisje daalt af met zes vuilbakken in haar karretje. Maak je mensen gelukkig met een vuilbak als nieuwjaarsgeschenk ?
Een langharige jongeman heeft wel twintig rode kerstballen gekocht.
Op tweede Kerstdag zijn dat vijgen na Pasen.
Jonge koppels in een waas van gloeiende lichtjes helpen mekaar, zalig tevree met hun nieuwe salons en dito gordijnen.
Een jonge vrouw zet lopend het winkelkarretje terug en rent haastig naar de wagen waar haar vriend alles gretig inlaadt.
Het kan niet snel genoeg gaan. Thuis wordt alles vlug vlug uitgeladen en ineengevezen. Vanavond al slapen ze in hun nieuwe bed.
Continue reading ‘Ikea, tussen Kerst en Nieuw’
Op metrostel Weststation zit ik naast drie Bruxelloises pur sang.
Het is laat namiddag, haast kerstavond.
Het Vloms en Frans huppelt vlot over en weer, zoals ketjes hinkelend op straat.
De grijze madam met de dikke wollen muts, zegt tegen haar zwaar geblondeerde vriendin : “Get ne schuune sjarp oên,” – “Tu trouves ?” antwoordt de blonde, “je l’ai achetée au Zeeman,” – “Oê maa moete nie vroege van woê da maain moesj komt, ik zaan et vergeite,” zegt de muts.
Die vanzelfsprekende mix – dat sappige Brussels, dat eigenlijk onvervalst Belgisch is – niemand vraagt of stoort zich aan het frans of nederlands, het vloeit moeiteloos in mekaar als mayonaise die pakt.
Ze beheersen beide talen maar kennen geen van beide.
Een heerlijke surrealistische taal die ik heel hard ga missen als ze binnenkort uitsterft.
Continue reading ‘Kerstavond’
In brasserie Le Louvre aan de Parvis ga ik binnen, net na een blonde onopvallende vrouw.
Ze is heel Sint-Gilliaans gekleed, dat wil zeggen, niet slordig, evenmin deftig, gewoon nonchalant.
Ze bestelt een pintje en de baas begint meteen rustig tegen haar te babbelen. Het bier komt niet op de toonbank.
Naast haar ziet ze vele pintjes verdwijnen op het dienbord van de nieuwe dienster in jeans.
Het gesprek met de kastelein duurt maar even, plots schiet ze heel erg uit haar krammen.
Ik begrijp dat ze niet kan betalen en dat het niet de eerste keer is.
De grijze cafébaas blijft heel kalm, hij is één en ander gewoon.
Uit de boxen weerklinkt “I wonder where you go,” een heel ontroerend lied, gedrenkt in lichte melancholie, gezongen met een hese stem.
De scène duurt maar heel even, ik hoor haar schreeuwen “er zijn nog andere cafés” en “pas de respect pour les clients.”
Ze verdwijnt en trekt de deur gewoon achter haar dicht – niks geen slaande deuren.
Het café en de waard hernemen hun gewone activiteiten.
Ze steekt de Waterloose over en stapt binnen bij La Stivale, rechttegenover Le Louvre. Luttele minuten later wordt ze daar ook op straat gezet.
Daarop gaat ze Verschueren binnen, opnieuw hetzelfde scenario.
Ze vervolgt haar weg door de Fortstraat : een stijfkop.
Kersttijd : in geen enkele herberg is er plaats voor haar.
Ook Brel moeit er zich mee, hij zet “Ne me quitte pas,” in.
Het dienstertje geeft de hond van de grijze baard naast mij, een teil water.
Het beest drinkt gulzig.
william deraedt
hetrijkderzinnekes.blogspot.com
Vier toeristen lopen in de Lievevrouwbroersstraat, ze komen net vanachter de hoek uit de Stoofstraat.
De drie oudere mensen volgen blindelings hun jongere reisgenote die luidop voorleest uit een toeristische brochure.
Plots blijven ze alle vier, bij het aanhoren van een passage, als verstijfd staan.
Er is hen klaarblijkelijk iets ontgaan.
Inderdaad, ze hebben het kleine ventje
wat verderop niet opgemerkt.
De oudere man keert zich en wijst rechtdoor, daar moet het ongeveer zijn.
Ze discussiëren even, kijken naar hun uurwerk, is het de moeite om terug te gaan ?
Uiteindelijk keren ze toch terug.
Kan men zich voorstellen dat men in Parijs de Eifeltoren voorbijloopt, het vrijheidsbeeld in New York, in Berlijn de Brandenburg Tor ?
In Brussel kan men achteloos het stadsmonument passeren en discussiëren of het wel de moeite loont om terug te keren.
Dag na dag, jour et nuit blijft het surrealisme welig tieren in deze stad.
william deraedt
hetrijkderzinnekes.blogspot.com
Wallpaper, brengt naast de bekende magazines die op geen enkele koffietafel mogen ontbreken, geregeld ook City Guides uit. Ditmaal is Brussel aan de beurt. De cityguides worden, in de stijl van de magazines, gevuld met tips over design, architectuur, reizen, kultuur, restaurants e.a.
Hoewel het doelpubliek al wel eens meer de toeristen van de Zavel en Waterloolaan durft te zijn, spreken deze gidsen over het algemeen ook de lokale trendsetters en -followers erg aan.
Als je wil weten wat er uiteindelijk wél en niet in deze gids is terechtgekomen, kan je vanaf vrijdag 4/12 19h langs in Sterling books. En als je niet graag je deur uitkomt, dan kan je altijd terecht op Amazon
Het kleine hondje lijkt op een bulldog die verpletterd raakte onder een rupstractor. Maar het doet me nog meer denken aan een dwergnijlpaardje, al twijfel ik meteen of deze soort op de Ark van Noah werd weerhouden.
Ik zit op het nieuwe Gerechtsplein onder de vlaggen. Ik vind het niet mis maar had liever wat meer groen gezien en een waterpartij, om het lawaai van de Lebeau wat te neutralizeren.
Maar wie ben ik ?
Ik ben geen architect of stedebouwkundige, verre van. Ik ben alleen maar een bewoner en gulzige gebruiker van deze stad.
Ik vind de nieuwe pleinen niet altijd geslaagd.
Internationale wedstrijden ? Allemaal goed en wel, maar soms denk ik, vraag aan honderd passanten die regelmatig een plek frequenteren : hoe zouden zij zo’n plein inrichten ?
Je hoeft dat uiteraard niet blindelings te volgen maar je zou al een eind verder komen moest er tenminste geluisterd worden.
Continue reading ‘Het Plein’

Onlangs vond ik bovenstaand beeldje terug in mijn archieven, ik woonde toen nog op 300m van het plein. Kort erna verhuisden we, en behalve zeer uitzonderlijk kom ik er nog wel eens vluchtig langs.
Zò dacht men dus dat het Flageyplein er na de werken zou uitzien. Wat denk je? Is men er, naast de meer consequente schaduwen (wanneer de zon nog eens wil schijnen), in geslaagd om het doel te bereiken?
Ik word stilaan een echte kiekefretter.
Niet zozeer omdat ik mij de gewoontes en de natuur van een Brusselaar eigen maak, dat heb ik altijd al gehad, ook al woon ik hier nog maar acht jaar.
Het gaat eerder over kiekens fretten op café.
Verhalen die je als gebraden kiekens in de mond vliegen.
Ik zit aan de toog naast twee oudere heren in de Kafka. Ze waren verkeerd geland, eertijds huisde hier Lowie van ‘t Lieg Plafond, ze waren hier allang niet meer geweest.
Koreaanse veteranen met straffe verhalen, niet van ginderachter, maar uit de Brusselse rimboe.
Ze waren liever bij de spleetogen dan bij de bougnouls, daar hadden ze ook gevochten, bij de opstand van de Simba’s in ‘65. Ze waren bij de landing in Kinshasa.
Dat waren niks meer of minder dan menseneters. Net de mensapen voorbij.
Continue reading ‘Kiekefretters’
Twee winkelmeisjes houden een man overeind, hij is blijkbaar onwel.
De éne draagt hem onder de oksels, het andere meisje helpt hem zijn rechtervoet in de wijde broek te steken.
De man is allang niet meer onder de zonnebank geweest, zijn benen zijn kaarswit.
De meisjes giechelen : de paspop is vederlicht, in plaats van de broek staat de éne plots met het been van de man in de hand.
Het is drie uur in de namiddag op de Leuvensesteenweg. Er is een waas van leer en katoen en een licht geroezemoes welke door een veel te luide Radio Contact wordt overstemd.
Een moeder keurt de jeansbroeken voor zoonlief, een opgeschoten puber, die haar boven het hoofd is gegroeid.
Ze heeft zeker zeven pantalons en vijf pulls in beide armen, vermoedelijk is het haar enig kind.
Hij ondergaat het gedwee, hier durft hij buitenkomen met zijn moeder, hij past daarvoor in zijn omgeving.
Soms schudt hij van neen, de moeder port hem om het toch eens te proberen, hij doet het met een lichte weerzin.
Ze komen van ver naar de Leuvensesteenweg, ik herken het ruige Aalsters, het Zottegems en zelfs vanuit de Westhoek wordt hier in de rij gestaan.
Continue reading ‘Dod’
Recente commentaren