Achttien in Brussel

Marijn Pelkmans is negentien en studeert film aan het Narafi in Vorst. Hij woont in Merksplas. Deze tekst schreef hij toen hij voor de eerste keer naar Brussel vertrok.

Ik zit in het station. Tegenover me zit een man. Hij ziet er serieus uit. Hij draagt witte sportschoenen die niet passen bij de rest van zijn outfit. Ik kijk op de monitor. Een halfuur. Ik ben goed op tijd, toch zweten mijn handen.

Een vrouw strompelt naar binnen. Haar voeten schuifelen over de tegels. Ze heeft een klein hondje bij aan een zwarte leiband. Wanneer ze naast me komt zitten, voel ik me onwennig. Haar gezicht is vuil, verweerd en simpel. Ze draagt kleren die te klein zijn, in alle kleuren van de regenboog. Ze kijkt me aan en ze glimlacht. Ze lacht alsof er geen zorgen in de wereld zijn. Ik glimlach terug en ontwijk nerveus haar blik. Ik kijk op de monitor. Vijfentwintig minuten.

Een derde figuur verschijnt: een oude hippie met grijze dreadlocks wandelt het station binnen. Hij gaat op de bank links van me zitten. Hij kijkt niemand aan en begint in zichzelf te mompelen. Hij praat rustig, redelijk, maar onverstaanbaar. Zijn woorden weerkaatsen zachtjes in de hal. Geïntrigeerd door zijn persoonlijke discussie, kijk ik een paar keer zijn kant op. Hij merkt het niet, of het kan hem niets schelen. Daarna kijk ik naar de vrouw. Ze is bezig met haar hondje en lacht haar eigen lach.

De norse man met de witte sportschoenen kijkt de twee veroordelend aan. Daarna stapt hij op en verdwijnt hij.

Ik kijk nogmaals op de monitor. Nog maar tien minuten. Het hondje blaft. De hippie doorbreekt plots zijn gemompel en buigt voorover, zijn grote ogen gefixeerd op het beestje. ‘Wat mooi’, zegt hij met een grauwe, eerlijke stem. De glimlach van de vrouw wordt breder. ‘Ja hé’, antwoordt ze kinderlijk. Daarna kijkt ze naar mij. Even weet ik niet wat ik moet doen. Dan besef ik dat ze bevestiging zoekt. ‘Ja, hij is heel mooi’, zeg ik zacht, terwijl ik naar het bruine beestje kijk.

De vrouw knikt en gaat verder met glimlachen. De hippie begint terug in zichzelf te praten. Ik voel me eindelijk op mijn gemak. Mijn rol is hier gespeeld. Ik sta op en wandel naar buiten, zonder om te kijken naar de twee zonderlinge figuren die ik voor eeuwig achter me laat. Ik wens hen het beste.

Ik stap op de trein en ga  ergens alleen zitten. Ik kijk naar buiten. Na een tijd begint de wereld die ik ken te verdwijnen, eerst heel langzaam, daarna steeds sneller. Tot de dingen voorbijrazen aan mijn raam.

Ik kijk naar buiten en ik zie de dingen, zo vaag. Nog nooit wist ik zo zeker dat ik zo weinig wist. Ik ben achttien. De wereld raast voorbij mijn raam. En doelloos.

Share
  • Hilde

    Dat is reizen, met trein of metro. Je kan dit dagelijks meemaken. Stilaan wordt dit je wereld.
    Raak geschreven!