Categorieën
Brussel Actua Duurzaamheid

Filosofe Daan Roovers: “Je kan de mens niet definiëren zonder het over de stad te hebben”

April is de maand van de filosofie. Is er een beter moment om, na sociologen, planologen, historici en romanciers, een filosoof aan het woord te laten? Na al die anderen, natuurlijk. Want zoals Hegel schreef in 1821: “Wanneer de filosofie haar doek schildert, dan is reeds een bepaalde gestalte van het leven oud geworden, en met het schilderij laat zij zich niet verjongen, maar wel kennen. De uil van Minerva vliegt slecht uit bij het invallen van de duisternis.”  Filosofe Daan Roovers heeft het vooral over de 18de eeuw, met de Romantiek als begin van de afkeer van de stad en over de huidige tijd van vloeibare moderniteit.

Roovers is zelfstandig actief als filosofe. Ze was medeverantwoordelijke voor de uitgave “Filosofen Agenderen de Stad”: een project van het Nederlandse Agenda Stad, een samenwerking van het Rijk, steden en stakeholders gericht op het versterken van groei, innovatie en leefbaarheid van Nederlandse steden. Een filosofe over de stad, dat moet wel boeiend zijn.

Wat heeft de stad betekend voor filosofen en dus voor de filosofie?

De  stad is in het algemeen de plaats waar filosofen zich hebben thuis gevoeld en konden filosoferen. Er waren wel filosofen van de afzondering en van het platteland, maar die zijn eerder de uitzondering. Deze strekking manifesteert zich pas vanaf de Romantiek in de achttiende eeuw, met Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) als bekendste figuur en als pionier. Tot dat moment was de stad echt wel het brandpunt van economie en handel, van welvaart en veiligheid, van beschaving en intellectuele evoluties, van filosofische activiteit.

‘Stad versus platteland’ was echt een thema voor Rousseau: de stad was een oord van verderf en corrumpeerde de mens. In die romantische visie vervreemdde de stad ons van onze innerlijke natuur. Rousseau’s visie op de stad kreeg best veel navolging en is ergens in ons denken aanwezig, in mindere of meerdere mate.

Men zou kunnen spreken over twee strekkingen in de filosofie: een eerste die vindt  dat filosofen midden in de stoom van het leven, van de handel, van de (wereldse) activiteit moeten staan, en een tweede die vindt dat filosofie begint bij reflectie en afzondering. Weg dus van al die activiteit met haar mogelijke geneugten en afleiding.

René Descartes (1596-1650) bijvoorbeeld was wel positief over de stad, net omwille van de anonimiteit: “Iedereen is hier zo druk met de handel dat ik er mijn hele leven zou kunnen verblijven zonder opgemerkt te worden’, schreef hij in een brief over zijn verblijf in Amsterdam.

René Descartes in Amsterdam

Rousseaus visie ontstond vast niet in het luchtledige.

Zeker niet. Die was een duidelijk een reactie op industriële revolutie die ongeveer gelijktijdig plaatsvond, en hoe mensen daardoor vervreemd geraakten van zichzelf en van elkaar – zeker in de steden. Er kwamen steeds meer machines en mensen werden instrumenten in de economische en industriële ontwikkeling. Die afwijzende attitude zie je ook ontstaan bij heel wat Duitse romantici.

Het ging Rousseau niet enkel over de steden, maar ook over de politiek die vervreemdend werkte. Ik deel zeker niet zijn anti-stedelijk sentiment maar ik denk wel dat hij geniaal was en zijn tijd ver vooruit. Abstracte kennis en verwijdering van je eigen natuurlijke omgeving kan leiden tot vervreemding, tot angst, depressies, angst tussen groepen. Daar wil hij voor waarschuwen. Die waarschuwingen vind ik zeer billijk en niet zo gek.

Vormen de steden de voorbode van onze ondergang, zoals sommigen – in lijn met Rousseau – zeker zouden zeggen?

Dan verwijs je natuurlijk naar Oswald Spenglers Der Untergang des Abendlandes (1918-1923), zoals zijn bekendste werk heet , at trouwens net naar het Nederlands is vertaald (Ondergang van het avondland).

Het tijdperk van de civilisatie (Zivilisation), van de techniek, is voor Spengler het einde van de cultuur (Kultur). Een cultuur groeit en bloeit tot die zichzelf verliest in technische en architectonische hoogstandjes. In het verleden zijn er vele rijken en culturen die bloeiden en dan tot een einde kwamen. Dat geldt ook voor steden, zoals bepaalde steden in het huidige Midden-Oosten is. Maar dat steden het begin van het einde zijn, zou ik zeker niet durven zeggen, ook niet bij Spengler.

Ik vond bij Spengler integendeel de mooie metafoor van de mens als ‘stedenbouwend dier’ en heb mijn essay er naar genoemd. Filosofen willen de mens vaak definiëren: als redelijk wezen, als sociaal wezen, als politiek dier, enzovoort. Ik geef Spengler gelijk als hij de geschiedenis van de mensheid ook de geschiedenis van de beschaving en vooruitgang is. Ongeveer alle wetenschappelijke doorbraken en intellectuele evoluties vonden plaats in de steden, waar dan ook steeds meer mensen gingen wonen. En dus is de mens  ook een stedenbouwend dier: in de steden bouwde hij aan zijn beschaving. Je kan de mens niet definiëren zonder het over de stad te hebben.

Evolueert het debat over de stad?

Tien jaar geleden werd in Nederland al een dag van de filosofie gewijd aan de stad (2008). Die activiteit vertrok vooral vanuit de bekende vaststelling dat steeds meer mensen in Nederland en in de wereld in steden gaan wonen.

Het thema van de stad blijft actueel, maar ik merk toch een verschuiving. De huidige debatten vertrekken veeleer vanuit de vaststelling dat er een kloof ontstaat tussen de stad – in Nederland de randstad – en het platteland. Die kloof is momenteel echt een issue, of het nu gaat over Zwarte Piet of over economische kwesties. Zo was er een incident toen de Sint aankwam in Friesland. Amsterdamse activisten wilden protesteren, maar werden tegengehouden. “Die Amsterdammers hoeven we hier niet,” was de ondertoon. De trek naar de stad gaat dus door, maar de tegenstelling stad-platteland wordt er niet kleiner op.

Kan je dat verklaren?

Een eerste element vind ik bij de Pools-Britse socioloog en filosoof Zygmunt Bauman (1925 –2017). Hij lanceerde het interessante begrip ‘vloeibare moderniteit’, waarmee je deze tijd grotendeels kan verklaren. In de 20ste eeuw zijn gemeenschappen ‘vloeibaar geworden’, ze liggen minder vast dan vroeger. We leven niet meer in de ‘extended family’ als alomvattende cocon van het dagelijkse leven.

Bauman stelt vast dat je nieuwe en meerdere soorten (al dan niet tijdelijke) verbanden kan aangaan: op je werk met collega’s – mensen hebben meerdere werkgevers – , in je wijk met buren, op basis van interesses met vrienden en kennissen, enz.

Gezelschappen van mensen komen en gaan even makkelijk weer uit elkaar. Hij heeft het wel eens over het ‘garderobegezelschap’: je vormt een soort gezelschap, bijvoorbeeld bij een theatervoorstelling. Je komt samen aan, beleeft iets samen, en na de voorstelling haal je je jas op en ben je weer weg. Een soort gezelschap, maar slechts voor één avond en één activiteit.

De samenleving met vloeibare moderniteit en mentaliteit drijft op idealen zoals aanpassing en flexibiliteit. Het heeft te maken met het wegvallen van zekerheden. De context, de mensen die je omringen of waarmee je je zelf omringt kunnen snel veranderen. Daar moet je mee dealen en dat zorgt voor vrees en onbestemdheid die volgens Bauman kenmerkend zijn voor de stad.

Triënnale Brugge 2018: meer dan een knipoog naar Zygmunt Bauman

Vroeger werden steden gebouwd met een omwalling, om de vijand buiten te houden. Het veiligheidsaspect speelde een belangrijke rol. Op dit moment zitten ‘het gevaar’ en de angst in de stad zelf. Mensen in de stad gaan dan ook ommuurd wonen, in gated communities. En mensen buiten de stad willen de stad net buiten houden, omdat ze die onveilig vinden. Zijn dochter is architect, dat heeft hem misschien geïnspireerd in zijn analyses van de stad.

Wanneer heeft die omslag naar die vloeibare moderniteit plaats gevonden?

De opkomst van de vloeibare moderniteit dateert van de jaren 60-70, en de economische kant ervan – de liberalisering – van de jaren 80. Dat gebeurde eerst en ook harder in de steden.

Ook de Duitse filosoof Peter Sloterdijk is  een inspiratie?

Inderdaad. Ten tijde van de globalisering plooien we terug op kleinere verbanden, stelt hij vast in Sferen, zijn bekende trilogie over de (geschiedenis van de) globalisering. We bevinden ons in diverse sferen: de werksfeer, de familiale sfeer, en daarbinnen creëren we een bepaalde wereld. Ik vind die Sferen-theorie zeer aannemelijk, met de mens als sferenbouwend dier, zou je kunnen zeggen. In het derde en laatste deel noemt hij de  postmoderniteit – onze tijd dus – de tijd van het schuim.  We zijn in bepaalde celletjes gaan wonen die steeds kleiner zijn en met steeds minder samenhang. Dat maakt ons individualistischer en ook kwetsbaar.

Beide metaforen beklemtonen de anonimiteit van de stad. Die werd ook door Descartes aangehaald. Vindt u die anonimiteit positief?

Zeker, want dat betekent vrijheid en autonomie. Binnen de stad kies je gemakkelijker tot welke gemeenschap(pen) je wil behoren, en je kan er ook gemakkelijk uit weg. Ikzelf kom uit een dorp, maar woon in Amsterdam, omdat ik hier gewoon liever woon – hoewel ik ook graag in mijn geboortedorp kom.

Maar op de een of andere manier tracht ik in mijn wijk toch een soort dorp te creëren. Ik vind contact met de bakker belangrijk, ken al de buren en hun kinderen en ik zit in de ouderraad van de school. Maar die engagementen en netwerken zijn wel mijn keuzes. Mijn man die wel in Amsterdam geboren is, zegt vaak dat ik het dorp in de stad reconstrueer.

En de nadelen ervan, zoals vervreemding of segregatie en vereenzaming ?

Uiteraard is dat niet goed voor een stad, maar het is ook zeer moeilijk om dat tegen te gaan. Die segregatie is in Brussel of Antwerpen erger dan in Amsterdam, denk ik. Nederland heeft meer een traditie van sociale woningbouw en stadsplanning die ervoor gezorgd heeft dat elke wijk wel enige mate van diversiteit heeft. Een traditie die overigens verdwijnt, want men laat huisvesting en woningbouw steeds meer over aan de private sector.

Sociale woningen in Amsterdam gaan segregatie tegen

Ik beschouw mezelf wel als links, maar uiteraard kan je mensen niet pushen om ergens te gaan wonen. Op dat vlak ben ik liberaal. Maar als je niks doet en alles helemaal vrijlaat, ken je het resultaat: segregatie. Dat willen we ook niet. Een soort zachte sturing is dan toch te verkiezen boven een slechte uitkomst van de totale keuzevrijheid.

Onlangs las ik Spinoza en op het einde van zijn Theologisch-politiek traktaat (Tractatus theologico-politicus, 1670) schrijft hij over Amsterdam en de manier van samenleven. Ik vind dat zelden zo mooi over Amsterdam is geschreven, met name over tolerantie. Het is een typisch stedelijke opvatting van tolerantie: Amsterdam is de enige plaats ter wereld waar vrijheid gewaarborgd is ‘omdat mensen in eendracht samenleven’ en ‘geen enkel geloof wordt zo gehaat dat het niet beschermd wordt door dezelfde wet die geldt voor alle religies’ Dus iedereen, alle geloofsovertuigingen, vallen onder dezelfde wet.

Dat stemt overeen met mijn visie op de stad: je hoeft niet op elkaar te lijken, geen groot ‘wij’ of geen grote eenheid te vormen.

Bestaat Spinoza’s ideaal nog?

De plaats van religie is heel gevoelig tegenwoordig waardoor dat ideaal vaak wordt betwist, maar die wettelijke gelijke bescherming en behandeling is er wel nog steeds. En in mijn beleving leven we ook nog in eendracht samen, al zit er zeker wel druk op de ketel.

In die maatschappelijke polemiek over met name de islam circuleren er uiteraard vele meningen. Een van de antwoorden van de Nederlandse regering is: alle scholieren moeten het Wilhelmus kennen en naar het Rijksmuseum om onze canon te leren kennen. Zo moeten we weer één groep vormen. Ik heb daar niets op tegen. Het is een mogelijk antwoord, maar wel een antwoord op een heel ander soort vraag dan waar het echt om gaat. Tolerantie is vooral een juridisch iets: we vallen allen onder dezelfde wet. Velen vullen het te veel politiek-moreel in: “we moeten weer één natie vormen”.

Is de onderliggende idee niet: tolerantie veronderstelt burgerschap, en dus een gevoel van samenhorigheid. Heeft tolerantie geen burgerschap nodig?

Dat is misschien wel zo, maar wat is het belangrijkste? Dat we één groep zijn maar allemaal verschillend behandeld worden door de wet, of is het belangrijker dat we allemaal van elkaar kunnen verschillen en toch gesteund worden door dezelfde grondwet.

U werkte samen met Michael Sandel en schreef de inleiding tot de vertaling van zijn boek ‘Politiek en moraal’. In het debat tussen ‘brede’ of ‘smalle’ moraal, sterke of lichte gemeenschap – het toen gangbare politiek-filosofische debat tussen ‘communitaristen’ en ‘liberals’ – vertegenwoordigt hij wél voor de eerste visie.  

De visie van Spinoza die ik verdedigde, zal hij inderdaad te leeg en  ‘te smal’ vinden. Hij zal meer nadruk leggen op groepsidentiteit, nationale identiteit om weer één gemeenschap te vormen. Ik ben er zelf ook niet altijd helemaal uit of de smalle invulling van een gemeenschap volstaat.

Is de stad veranderd doorheen de tijd?

Ja. De huidige steden zijn groot en hebben vele buitenwijken, waardoor je nog moeilijk van één stad met één cultuur kan spreken. Dat zijn meerdere steden in één. Dat geldt niet voor kleine steden, maar wel voor Amsterdam en meer nog voor pakweg Brussel, vermoed ik.

In het platteland heeft iedereen eigen ruimte en geen gezamenlijke ruimte; in de stad heb je vooral publieke ruimte en nauwelijks private ruimte. Dat lijkt me een goede samenvatting. De meeste Amsterdammers wonen klein en hebben geen eigen tuin. Ik vind dat eerder een voordeel dan een nadeel: dan moet je geen gras maaien.

Let wel, het is niet altijd gemakkelijk. Het allermoeilijkste van publieke ruimte is die publiek te houden. Goed te onderhouden. Een collectief idee van verantwoordelijkheid te ontwikkelen waarbij iedereen zich betrokken voelt. Je moet goede  afspraken maken met de overheid.

Amsterdam probeert nu woongemeenschappen gezamenlijke verantwoordelijkheid te geven voor woongebieden. Dat is niet zo makkelijk, maar wel veelbelovend. Daar moeten we mee verder gaan, en wat mij betreft verdient het dus ook elders navolging.

Het gaat in de stad niet enkel om huizen en voorzieningen, maar ook over het sociale weefsel. En dit soort projecten draagt bij tot het sociale weefsel en dus tot de gemeenschap.

En je wil de publieke ruimte vrijwaren van al te veel reclame, want ze is tenslotte de ruimte van de burgers, los van economische belangen en actoren.

Dat brengt ons bij de filosofe Hannah Arendt.

Arendt (1906-1975) beschrijft drie sferen: de privé-sfeer, de  sociaal(economisch)e sfeer en de publieke sfeer. Arendt – en ik met haar – vindt het belangrijk dat die publieke sfeer anders is dan de sociale sfeer, en er niet door gedomineerd wordt. De economische sfeer heeft zijn economische regels en wetmatigheden, is gebaseerd op transacties en gericht op het realiseren van een win-win. We maken ook onderscheiden en ‘discrimineren’. We kunnen bijvoorbeeld verenigingen oprichten waartoe sommigen wel en anderen niet mogen toetreden.

Voor Arendt is het belangrijk dat niet alles economisch is. Dat de publieke sfeer daarvan onderscheiden blijft, zowel de concrete publieke sfeer, bijvoorbeeld de gedeelde ruimtes in de stad als de politieke sfeer die daar ook toe behoort. In de politieke sfeer zijn we allemaal gelijk voor de wet.

De sociaal-economische sfeer is de publieke sfeer gaan domineren, vrees ik. Als die publieke sfeer wordt weggedrongen, zullen op termijn ook de andere sferen verdwijnen.

Denk trouwens ook aan sociale media – je zou denken dat deze deel uitmaken van en bijdragen aan het publieke debat. Maar ik heb redenen om daaraan te twijfelen. Ze zorgen voor selectie van groepen. Het platform stuurt de interactie, gebaseerd op algoritmes en kwantiteit – ingegeven door economische motieven. Standpunten en argumenten krijgen hun weerklank niet op basis van hun intrinsieke waarde maar op basis van cijfers, clicks, enz. Dat is nu eenmaal eigen aan dergelijke media: de platforms zijn in handen van private bedrijven.

Het publieke debat ‘pur sang’ in de stad vind je bij Socrates, in Athene. Hij probeerde in gesprekken met mensen tot meer wijsheid te komen – in wezen hetzelfde als wat Sandel nu doet.

Wat is uw lievelingsstad?

Dat is toch gewoon Amsterdam, hoor. Toen er kinderen kwamen, hebben wij ook wel eens gedacht aan  verhuizen naar het platteland, maar dat was nooit ernstig. Ik heb nooit meer dan vijf minuten tijd besteed aan het zoeken van een huis buiten de stad. Tenslotte is ook een eigen tuintje bij een huis op het platteland nooit groot genoeg voor twee voetballende zonen. Dan kan je beter kiezen voor de stad waar ze voetballen op een gemeenschappelijk plein.

Na Amsterdam kies ik voor Londen, echt een grootstad. De stad heeft veel publieke ruimte, veel parken bijvoorbeeld. Je kan er ademen, een gevoel dat ik in Parijs veel minder heb. Je kan er ook spelen, wat belangrijk is als je kinderen hebt. In Berlijn ook trouwens. Londen en Berlijn vind ik fantastisch. In Brussel was ik ook vaker de laatste tijd. De stad fascineert me enorm, maar ik weet niet of ik er zou willen wonen.

Meer informatie: http://www.daanroovers.nl/

Lieven De Rouck schrijft op zijn blog Lieven Brusselt over steden, stedelijkheid en Brussel. Zijn interview met Daan Roovers verscheen eerder in het aprilnummer (nr. 236) van het maandblad Meervoud.

Share