Wat kan Brussel leren van andere grootsteden in de wereld? Die vraag stond centraal in een nieuwe editie van Tussen de soep en de feiten, de reeks van maandelijkse lunchpresentaties in Muntpunt. Spreker van dienst was Ben Derudder, professor stedelijke studies aan de KU Leuven.
Brussel is wel degelijk een wereldstad, bevestigde Derudder in zijn voordracht. Het predicaat hangt minder af van het aantal inwoners of de oppervlakte, maar van de functie als knooppunt van mondialisering. Een wereldstad fungeert als beslissingscentrum op politiek, economisch en cultureel vlak. Brussel scoort op dat vlak als hoofdstad van de Europese Unie, als zetel van de NAVO en als speelveld van lobbyisten. De heterogene bevolking en het hoogstaande en diverse culturele aanbod geven de stad ook een zeer internationaal cachet.
Is elke stad uniek of lijkt elke stad op elkaar? Beide, volgens Derudder. De stad is een unieke puzzel, maar met bekende puzzelstukken. ‘Conjunctural urbanism’, heet dat in wetenschappelijk jargon. Een andere term, ‘urban policy mobilities’, wijst erop dat steden beleidsmatig van elkaar leren. Een bekend voorbeeld: als het regent in Parijs, druppelt het in Brussel. Kopenhagen geldt wereldwijd als voorbeeld van een fietsvriendelijke stad. Bilbao is de inspiratiebron voor de transformatie van een stadsdeel door de inplanting van een museum.
Wereldsteden hebben gelijkaardige uitdagingen. Derudder noemde er vier grote:
- Ongelijkheid: Een stad als Londen heeft een bijzonder hoog bnp per capita en een dito mediaan inkomen, maar tegelijk leven er 2,3 miljoen inwoners in armoede. De rijkste 20% heeft er 300 keer zoveel inkomen als de armste 20%. De middenklasse dreigt er te verdwijnen, omdat jobs zich bevinden in de bovenste of de onderste schaal, en niet ertussenin. Typerend voor Brussel: de middenklasse heeft de stad massaal verlaten en pendelt naar het werk.
- Superdiversiteit: Vroeger kwamen Brusselaars met migratieachtergrond vooral uit de buurlanden en de vroegere kolonies, aangevuld met ‘gastarbeiders’ uit landen waarmee België na de Tweede Wereldoorlog een migratieakkoord had gesloten. Nu is de diversificatie veel groter, qua land van herkomst, reden van migratie en verblijfsstatuut. Brussel is bij uitstek een aankomststad, met mensen die hier vaak maar tijdelijk verblijven, wat een duurzamer engagement in de weg staat.
- Betaalbaarheid, vooral van wonen: Londen en New York zijn typevoorbeelden van steden waar de woon- en leefkosten de pan uit swingen. Het fenomeen van gentrificatie slaat toe: volksere of industriëlere wijken transformeren in hippere buurten door de komst van nieuwe inwoners met een hoger inkomen. Superrijken kopen woningen op als investeringsvehikel. Brussel heeft enerzijds de welvarende EU-bubbel en rijke gemeenten in het zuiden en zuidoosten, maar talrijke inwoners in de arme sikkel, geconcentreerd rond het Kanaal, leven anderzijds in een precaire situatie.
- Governance: Veel steden kampen met het feit dat de functionele regio veel groter is dan de formele beleidsstructuren. Dat leidt tot extreme institutionele versnippering met een ander beleid voor stad en rand, bijvoorbeeld op vlak van mobiliteit en ruimtelijke ordening. Er ontstaat ook een democratische mismatch in twee richtingen. In Brussel is het kluwen van bestuursniveaus haast onontwarbaar, met een hoofdstedelijk gewest, 19 autonome gemeentes en politieke betrokkenheid van Vlaanderen en Wallonië via de taalgemeenschappen in België.
Derudder kon door de beperkte duur niet diep ingaan op de specificiteit van Brussel en inspirerende lessen uit het buitenland. In het begin had hij ook al meesmuilend gezegd dat hij als niet-Brusselaar Brussel eigenlijk geen lessen te geven heeft. Hij pendelt zelf met de trein van Gent naar Leuven, en Brussel is voor hem slechts een tussenstation.
Maar toch wist Derudder zijn betoog af te sluiten met een handvol tips. Hij riep op om superdiversiteit als uitgangspunt voor het beleid te nemen en, zonder samenlevingsproblemen te ontkennen, de kansen daarvan te zien, bijvoorbeeld door etnisch ondernemerschap veel meer te omarmen. Een minister-president – ja, jij, Boris Dilliès – moet diversiteit uitstralen door verschillende talen te spreken. Onze historisch gegroeide gecrispeerde omgang met taalgebruik zou dan weer een stuk relaxter moeten worden. De jongeren in de stad kunnen als inspiratie dienen voor het samenlevingsmodel van de toekomst. Hun frisse en open blik kan helpen om de geijkte paden te verlaten. En ja, een betere afstemming tussen stad en bredere omgeving is nodig om de problemen van het werkelijke stedelijke systeem op een coherente manier aan te pakken. Parijs heeft daarvoor de Métropole du Grand Paris in het leven geroepen. Een volwaardige Brusselse tegenhanger zou de burgemeester van Halle ongetwijfeld zien als bewijs van de uitdijende olievlek Brussel. ‘We zullen zien’, zou Dilliès besluiten.

