Eén vroege lichtstraal brengt het Vossenplein tot leven
De leegte wordt een bont lappendeken
van tapijten, tafels en dozen dozen dozen
Levens staan in uitverkoop
Huisraad rouwt om haar vergane glorie
Rommelprinsen ruiken het zweet van zoekende ogen
Tussen onrustig gewriemel en geschuifel
duwt de onverzadigbare schatzucht alles opzij
De lucht is vervuld met zwaveldampen
van bieders en boden
voor meer en minder
alles is van mij
alles wordt van mij
ik, alles
ik heb het
van mij


