De urinoirs aan de Katelijnekerk in het centrum staan er al meer dan anderhalve eeuw. Ik ken ze nu een jaar of dertig. In die tijd ben ik ze anders gaan ruiken.
In het begin zei ik er iets van, tegen wie er ook naast me liep. Bah, die geur! Die hoorde bij het passeren zoals wiet bij bepaalde straten in de Matongé hoort. Op een bepaald moment ben ik ermee gestopt. Niet omdat het minder stonk. Omdat de geur de plek werd.
Nu valt het me op als het er eens niet naar urine ruikt. Vorige week bijvoorbeeld. Ik liep er langs en … niets. Ik ben blijven staan. Ik heb zelfs een stapje dichterbij gezet, wat een vreemd iets is om te doen. Er moest die ochtend gekuist zijn. Stad Brussel doet dat elke dag, zegt ze, met hogedrukspuiten en geurvreters, maar het is me nooit opgevallen. Raar dus. Zo heb ik het ook benoemd toen ik thuiskwam: raar.
Nu las ik dat een groep handelaars en buurtbewoners de urinoirs weg wil. De petitie staat op zowat zestig handtekeningen. Ze hebben het over geur, over druggebruik, over alles wat je liever niet ziet vanaf een terrasje. Ik geloof hen. Het is vast allemaal waar. Zij wonen er, de hele dag, en de nacht erbij. Zij weten het.
Ik passeer enkel af en toe en gebruik ze allang niet meer. Vroeger wel, op weg naar huis, op uren dat de keuze beperkt is. Dat is opgehouden: tegenwoordig ben ik van het type dat nog snel één keer gaat als mijn laatste Westmalle voor me staat. Ik pleit dus voor iets waar ik zelf niets meer aan heb. En toch.
Waar moeten al die mannen dan gaan staan, zonder urinoir? Die mannen verdwijnen niet. Die schuiven op naar plekken waar de hogedrukspuit van de Stad niet passeert. Naar de gevel ernaast, naar het portiek van de kerk, naar de steegjes achter de Vismarkt. Een pissijn wegnemen, neemt het pissen niet weg, quoi.
De petitie komt met een antwoord. Het is het beste zinnetje dat ik deze week al heb gelezen. Als de urinoirs erfgoed zijn (dat zijn ze) en ze daarom moeten blijven, maak ze dan onklaar en plaats er plexiglas omheen, schrijft de buurt. Zo kan het publiek ze zien zonder ze te gebruiken.
Ik las het drie keer. Een urinoir in een vitrine. Verlicht, neem ik aan, met een bordje erbij: negentiende eeuw, gietijzer, in gebruik tot 2026. De toerist blijft staan, leest, knikt, denkt aan de fontein van Marcel Duchamp en moet ineens plassen. Maar waar?
Het antwoord is verrassend simpel. Plaats meer openbare toiletten. Verspreid over de stad. Bouw ze. En onderhoud ze – al beweert de Stad dat dus al elke dag te doen, zestig handtekeningen ten spijt.
Als jullie dit lezen, vrienden in het stadsbestuur: ga aan de slag. Plaats er twintig. Honderd. Nog meer desnoods, tot ze niet langer op één plek geconcentreerd staan. Maar als jullie dat écht wilden, stonden ze er al. En ik heb ze nog niet gezien. Nergens.
Dus ik zou zeggen tegen mensen aan beide kanten van het argument: tot het zover is, laat die urinoirs aan de Katelijnekerk nog maar even staan. Die pissijnen hebben hun nut. Al is het maar omdat ze een verstokte atheïst als ik nu en dan de kans geven om eens tegen een kerk te pissen.

