BRUSSHELL

Shell building sept 2019
c Thomas Sennesael

Notities bij de tentoonstelling ‘Alexis Dumont & C°’ in de St-Gorikshallen

Kunnen we blij zijn met de Shell-building, tussen Cantersteen en Ravensteinstraat?

Het gebouw is één van de vele gelijkaardige, qua functie, stijl en kleurtoon, die tussen 1930 en 1960 werden opgetrokken op de steile Hofberg, tussen hoog- en benedenstad, tussen het oude Coudenbergkasteel/Koninklijk Paleis en de Grote Markt in, en die de rand van de oude kern van Brussel een belangrijke tertiaire invulling gaven, samen met een nieuwe architecturale – modernistische – impuls.  

BRUSSEL STEEDS BETER BEGRIJPEN

Kijk naar een beeld van de terreinen kort vóór de bebouwing van de vroege jaren ’30, toen het renaissancistische, italianiserende paleis van Granvelle daar nog stond. De harde Granvelle was een staatsman voor onze gewesten in de 16de eeuw, die de macht van de stedelingen wou inperken in dienst van de Spaanse Habsburgers (Filips II). Zijn paleis, niet zijn persoonlijke reputatie, heet in verschillende bronnen één van de mooiste van zijn tijd en in zijn soort te zijn in de lage landen. Het werd in de Expo (’58)-jaren afgebroken, en vervangen door de Ravensteingalerij.  

Het Granvelle-paleis op de plaats van de huidige Ravensteingalerij. Links plaats voor de Shell building.
c alexisdumont.brussels

Ravensteingalerij en Shell-building zijn van de hand van architect Alexis Dumont (en partners), een ingeweken Brusselaar, aan wie een tentoonstelling is gewijd in de Sint-Gorikshallen. Het werk van Dumont bekijken, brengt nieuw inzicht in de stedenbouwkundige evolutie van onze stad.

Het Granvelle paleis op de plaats van de huidige Ravensteingalerij

Is de buurt beter geworden post-Granvelle?

De planningsgeschiedenis van de site is interessant. Ten eerste: sowieso moest de oude Putterijwijk er blijkbaar aan geloven, met haar oude woonhuizen, steile trappen én Granvelle-paleis (waar de eerste ULB-studenten nog lang gebruik van maakten, tot het hopeloos te klein werd). De stad besloot tot tabula rasa en mikte op een nieuwe zakenwijk. 1200 huizen werden gesloopt.

De tijden bieden een verklaring. Na WOI waren we al overgeschakeld naar meer eenvoud en minder luxe (Art déco), en naar 1930 toe moderniseerde de architectuur verder, terwijl de menselijke economische activiteit ook veranderde. Het agrarische, ambachtelijke en nadien industriële binnen de stad ging over in tertiairisering als belangrijkste bron van werkgelegenheid, tegelijk met het fenomeen van de internationalisering.

DRIE ARCHITECTEN

In die geest was de eerste kandidaat voor de monumentale site de architect Van Hardeveld. Hij zondigde echter tegen een door de Stad gestelde voorwaarde, jawel, een bouwkundige voorwaarde: de zogenaamde erfdienstbaarheden van uitzicht moesten gerespecteerd worden. Dat betekent dat je vanaf de Koningstraat ter hoogte van Baron Horta de binnenstad ongehinderd moet kunnen zien liggen. De voorziene 90 meter hoge toren stond in de weg.  

De volgende tekenaar was de late Victor Horta, die van het Centraal Station, het buurgebouw aan de overkant van Kantersteen. Zijn plannen, met een toren van een zestigtal meter, gingen echter de schuif weer in toen de wereldeconomie in ’29 toeklapte. Zijn Engelse ondernemer ging namelijk failliet.

Ontwerp V. Horta (beeld CIVA)

En zo kwam de opdracht bij Alexis Dumont terecht. Die inspireerde zich op Horta’s ontwerp, een groot gebouwencomplex dat op zijn renaissance-voorganger lijkt voort te bouwen. Dumonts uiteindelijke resultaat verschilt er toch wel heel wat van.

De opdrachtgever was (Belgian) Shell, dat kwiek uit de Krach kroop. Het is dus de industrie van de oliewinning geweest die daar in dat stuk van Brussel haar eerste grote vlek neergoot. Het autotijdperk zou zonder onderbreking volgen. Functionaliteit, schaalvergroting, moderne voorzieningen zoals liften, linoleum en self-service waren kernwoorden. Kunstenaars zoals Olivier Strebelle werkten gezwind mee aan het vormgeven van die nieuwe tijd.

BUILDINGS OP MENSENMAAT

Vandaag staan we stil bij die zakelijke erfenis. We denken na over een stad met meer groen en minder vervuiling, meer mens, minder gladde gevels. De modernistische en functionalistische geste, en de internationalisering, lijken evenwel definitief deel van ons leven te zijn geworden.

Gebouwen kunnen nu, net als kunst, abstractie uitstralen, in tegenstelling tot Art nouveau-artefacten, waar er via imitatie van de natuur en de uniciteit van elke lijn getracht wordt om iets kostbaars te realiseren. Niet helemaal tegenstelling: Horta bewaarde, zoals bekend, enkel de stengel en niet de bloem, en bracht zo al stilering aan. Hij evolueerde nadien zelf weg van de stijl die hem faam bezorgd had, maar altijd bleef hij een evenwicht zoeken tussen ambachtelijkheid en standaardisatie (die hij in de USA had gezien).

Een gebouw als de Shell-building gaat veel verder. Voorbij een tipping point van menselijk begrip?

Hoe voel je je als je daar loopt, afdalend tussen Bozar, Ravenstein, Shell-building en Centraal station? Op je gemak, of vervreemd?

Bij uitbreiding: hoe voelt de Europese wijk aan, aan de overkant van de Kleine Ring? Ook daar is de stad gemuteerd tot een internationale zakenwijk – onder veel protest van buurt- en stadsverenigingen.

Is er een evenwicht tussen functionele stad en stad op mensenmaat?

Ik hou wel van het rumoer daar dat zo internationaal smaakt, van het dambordpatroon dat geknipt lijkt om tot grootstadbuurt te dienen, van de buildings die de blokken vorm geven. Tegelijk lijkt het me duidelijk dat het Luxemburgplein haar aantrekkingskracht uit haar historisch bewaarde schoonheid put.

Door de quasi ongehinderde sloop van architecturale schoonheid in Brussel in de twintigste eeuw, met de jaren ’60 als kookpunt, dragen de Brusselaars een litteken dat hen vaak belet venieuwing en verandering nog te kunnen toelaten.

We zijn er gelukkig wel kritischer door geworden voor slecht architectuurbestuur, en enkele stadsverenigingen waken over elke beweging. De functie van de gewestelijke Bouwmeester zorgt er ook voor dat puur schraal machtsvertoon, in een stad van gemeentelijke machten, en een wereld van korte termijnplanning en maximale winstkansenberekening, minder kansen krijgt om rond zich heen te grijpen. Kristiaan Borret als hedendaagse versie van een Granvelle (zonder persoonlijk paleis).

EEN ONTBREKENDE TOREN

Maar terug naar het Shell-gebouw.

De toren, die ook in het ontwerp van Dumont voorzien was, zou er uiteindelijk nooit komen. Misschien had die het geheel meer grandeur kunnen geven dan voor mij nu het geval is. Vergelijkbare Shell-gebouwen van dezelfde periode elders in Europa zijn gedurfder uitgewerkt.

London Shell Mex House
Shell Haus Berlin

Een andere voorwaarde betrof de winkels, die de sokkel moesten verlevendigen, daar waar de rest kantoorruimte was. Het moesten kwaliteitszaken zijn, niet te populair. Grappig als je denkt aan Biberium, pal op de ronding aan de hoek van Kantersteen, een weinig aantrekkelijk café met een povere bediening, en aan die andere o zo Brusselse etablissementen in de Ravensteingalerij, waar ’s avonds rumoerige retro-muziek en gesloten gordijnen dansende serveersters en drinkende tooghangers omhullen. Het populaire gedijt er best goed, al bij al. Prima ingreep, wel, om op voetgangershoogte voor publiek toegankelijke activiteit te zorgen.

De teksten bij de expo in de Sint-Gorikshallen lijken soms weinig kritisch, daar waar ze de architect optimistisch aan het woord laten over zijn bouwkunde. Het zijn citaten uit publicaties van toen, die de architectuur pogen te herdefiniëren. Op de heel verzorgde en behoorlijk uitgebreide website bij de expo (https://alexisdumont.brussels/nl) kom je een stuk meer te weten over het parcours van de architectendynastie Dumont.

Deze tentoonstelling kadert trouwens in een bredere reeks om het publiek te laten kennismaken met haar “markante figuren uit het Brusselse bouwkundige erfgoed”. Dit is expo drie.

 

13/09 – 17/11/19 Sint-Gorikshallen

Organisatie: Archistory – urban.brussels – CIVA – Sint-Gorikshallen

Share