De kerk versus literatuur

Spikey en ik lopen diagonaal over het achterste deel van het Sint-Katelijneplein (dag zwarte toren!) naar de straat, het Zaterdagplein (of, voor stripfiguren, de Kiekeboestraat). Spikey zoekt de beschutting op van de huizen.

Grenadine hartje tegen mummiebruin barok op het Begijnhofplein (c) Thomas Dielman

Op het einde van de straat is het voetpad ingenomen door een werklift die daar al een eeuwigheid staat met het oog op de verbouwing van het hotel op de hoek. Spikey wipt van de stoeprand en via de straat lopen we de Cipresstraat in. 

De dag is reeds ver gevorderd en mijn lijf zit tjokvol verhalen. Verhalen die via mijn oren, ogen, neus, huid en mijn mond en mijn hart zijn binnengekomen. De toegangspoortjes worden tijdelijk gesloten.

Ter hoogte van de tweedehands boekenwinkel Het ivoren aapje schuiven twee werelden over elkaar heen. Het interieur van de winkel, de wonderlijke etalage, het glas, de weerkaatsing, mijn telefoon, mezelf, de barokke façade en het noorderlicht. Allemaal zetstukken in het theater.

Spikey trekt me verder van de Kastanjeboomstraat naar het pleintje, de Grootgodshuisstraat. Ik schuif mijn telefoon in mijn broekzak.

Als te veel konijntjes op een vierkante meter springen mijn gedachten over elkaar heen. Verkeersgeluiden, ongemakkelijke gesprekken met collega’s, getimmer en geboor uit bouwputten, onafgeronde dialogen uit het verleden die ik blijf repeteren als een theatertekst, een lunch die omhoog lijkt te kruipen, diagonaal gelezen krantenartikels, spanningen die ik als draden in de lucht zie hangen, een vaag angstgevoel dat lijkt te wijzen op naderend onheil. Alles is zwart-wit. Alles plakt aan elkaar, ook mijn hemd als een ongevraagde tweede huid.

Als een tot het uiterste volgeblazen ballon tracht ik scherpe objecten te ontwijken.

De verhalen gaan via mijn hoofd langs mijn hersenen verder naar mijn aangezicht, mijn nekvel, halswervels naar mijn borst mijn kloppend hart, van mijn buitenste schuine buikspier naar mijn maag, van mijn ballen via mijn lies naar mijn billen, dijen, knieën en ten slotte naar mijn tenen. Uit de verhalen worden de vitaminen gehaald, afgestoft en gearchiveerd in de juiste organen, de rest verlaat mijn lichaam via mijn grote teen.

Ik check het einde van de lijn, Spikey is er nog.

We steken de straat over, lopen naar het bassin op de Vismarkt en houden halt op de verhoogde omlijsting rond het water. Op het water drijft een houten huisje dat tijdelijk bewoond wordt door een familie wilde eenden. De kuikens volgen hun moeder op het water als kraaltjes van een sierlijke ketting. De bovenhangende wolken drijven de andere kant op.

De verhalen tuimelen verder over elkaar heen als natte kleren in een droogkas. Je kan ze pas opvouwen en in stapeltjes leggen als ze droog zijn.

De zon trekt zich stilletjes terug, alle kleuren worden dieper alsof je in het verleden kijkt, het is veilig, er kan je niets meer overkomen.

Vanop het waterbekken kijken twee nijlganzen ons na. Met elke stap die we zetten richting huis zien ze ons kleiner worden.

Net voor het slapengaan word ik iets gewaar. Ik loop naar het raam van de slaapkamer en kijk naar de verlichte ramen van de andere bewoners. Heeft iemand een appelsienencake uit de oven gehaald? Een paradijstaart?

Saffierblauw, lindegroen, azuurblauw, bloedrood, vergeet-mij-nietjesblauw, pistachegroen, kameelbruin, irispaars, kiezelgrijs, ravenzwart, madeliefjeswit, vaal rood, mummiebruin, vlammend zonnebloemgeel, eierschaalwit, Tiffany-blauw en emmers vol met duifgrijs.

Ik loop naar de woonkamer, pak mijn telefoon en duw met mijn rechterwijsvinger op het foto-icoontje. Tussen duim en wijsvinger komen de stapels boeken steeds dichterbij (dag Virginia Woolf! dag Willem Elsschot!), de reuk van oude boeken, bladzijden die opspringen onder mijn duim, het gebeier van de klokkentoren.

De kerk versus literatuur. Eén verhaal, veel verhalen.

Rechthoekige objecten, enkele centimeters dik met titels als linten gestrikt. Van de witte bladzijden springen alle mogelijke kleuren tevoorschijn.

Ik ben klaarwakker.

Thomas Dielman schildert Brusselse stillevens. Ze hebben volgens de kunstenaar, die aan Sint-Katelijne woont, geen enkel doel buiten het feit dat een mooie compositie rust en troost kan bieden. Ze kunnen je even verwarmen en je eraan herinneren dat schoonheid overal te vinden is

Share