Mist

De eerste werkdag van 2022. Ik geef vandaag nog geen les, maar zal thuis werken voor school.

Zoals elk jaar weer voel ik het nieuwe jaar zwaar op me vallen. Maar dan nog een beetje meer.

Ik neem het kleinste, dunste boekje uit mijn boekenkast. Van een geliefd schrijver. Een toneelstuk, met een cover groen als gras. Ik sla het open op een willekeurige pagina en lees:

Laten we het eerst even rustig aan doen.
Er weer inkomen.

Met die twee zinnen kan ik iets:

Laten we het eerst even rustig aan doen.
Er weer inkomen.

Wensen heb ik nog niet verstuurd. Wat moeten we elkaar wensen, in deze tijd? Een goede gezondheid? Wensen helpt zo weinig. Veel wensen van vorig jaar zijn niet uitgekomen. De dingen lopen zoals ze lopen. We zien wel.

Twee jaar geleden, net voor de coronacrisis losbrak, wenste ik een goede vriend:

Een mooi en niet té zwaar nieuwjaar, met veel inspiratie, wat variatie, weinig zorgen, veel warmte, en een gezondheid die meewil. Ook voor je naasten.

Hij antwoordde:

Een mooi en niet té zwaar nieuwjaar, met veel inspiratie, wat variatie, weinig zorgen, veel warmte, en een gezondheid die meewil.

Dat wil ik jou ook wensen.

En geen lekken meer.

Ik lachte, omdat hij geen eigen woorden koos maar antwoordde met mijn woorden. Dat deed hij graag. Me mijn woorden teruggeven. Ik vond het mooi om ze uit zijn klavier te horen. Hij had gevoel voor ritme. Ik niet. Hij speelde kamermuziek, variaties op een paar thema’s. Hij was ook goed in stiltes. Terwijl ik schreef over steeds weer nieuwe dingen die ik in de buitenwereld beleefde, was hij niet bang om zichzelf te herhalen. Binnenskamers. Jaar na jaar. Of eerder: dag na dag. Bij een jaar kon hij zich niets voorstellen. Zeker niet aan het begin ervan.

Onlangs had hij een nieuw klavier gekocht, omdat het oude begon te haperen. Ik keek uit naar de muziek die hij daar op zou maken. Dat schreef ik hem gelukkig nog.

Alleen de lekken waren een ingeving van hem geweest. Hij wist dat we maandenlang met het hele gezin in een klein kamertje hadden geleefd. Een lek had ons leven beheerst. Een soort quarantaine waarbij vergeleken de latere quarantaine nog best leefbaar was.

2022 begon weer met een lek. In de trappenhal deze keer. De muur is er erg aan toe, water liep langs het raam naar binnen. Voor de verzekering moet ik foto’s maken. Ik open het dakraam. Er hangt een dichte mist. Ik neem een foto van het dak van de buurman. Gisteren leek het een zwembad. Vandaag is het een schaatsbaan. Vannacht heeft het gevroren. Het spiegelende ijs, de mist, de kerktoren die erin verdwijnt, ons plein met de verlaten tramhalte, de blauwe strepen aan weerzijden van het raam aan de overkant, de gele gevel in de verte en de rode op de voorgrond: ineens zie ik poëzie in de miserie.

(c) De Rode Valies

Ik zou de foto van de schaatsbaan naar de vriend willen sturen. Hij zou er met evenveel verwondering als ik naar kijken. Maar dat gaat niet meer. De vriend stierf eind december. ‘De dagen zijn zo eender voor mij,’ had hij me kort voordien nog geschreven.

Ik zou wel honderd lekken in mijn huis willen hebben om de vriend terug te krijgen.

Ik stuur de foto’s naar de verzekering. Dan vertrek ik naar de kringwinkel. Mijn man zag daar kort voor kerst een boek liggen waarvan hij dacht dat het iets voor mij was. Oud papier. Mijn man kent mij. De vriend raadde me het boek zeven jaar geleden aan. Hij dacht ook dat het iets voor mij was.

Ik heb geluk. Het boek is er nog. Het eerste hoofdstuk heet ‘Over boeken waar je je hele leven naar zoekt en wat er gebeurt wanneer je ze vindt’. Op dit geheime adres vind ik steeds boeken die ik niet zoek. Zij zoeken én vinden mij. Alsof één zielsverwant hier stelselmatig boeken voor me achterlaat. ‘Over de troost van pessimisme’, ‘Nauwelijks lichaam’ en ‘Alle poëzie dateert van vandaag’: het zijn maar een paar titels die ik hier de voorbije jaren vond.

(c) De Rode Valies

Op de terugweg liggen verdorde kerstbomen te wachten tot ze worden opgehaald. Op een vensterbank staat een lege doos van roomijs met afgedankte champagneglazen. Hoeveel jaar zouden ze zijn meegegaan? Hoeveel feesten hadden ze beleefd, overleefd? Wiens lippen hadden er allemaal aan genipt? De dingen zwijgen, maar vertellen ons soms zo veel. Dat vond ook de vriend. We deelden een liefde voor de dingen, naast zoveel andere dingen.

Zoals een liefde voor Brussel, waar hij al lang niet meer woonde. In verhalen en foto’s nam ik hem soms mee op mijn wandelingen. Pas nog had ik hem een foto gestuurd van de plek in de Marollen waar hij geboren was. In gedachten had ik hem als baby in de armen van zijn moeder zien liggen. Vier dagen later was hij er ineens niet meer.

De mist is nog steeds niet opgetrokken. Ik wandel naar huis, om te gaan werken. Het zal me wel lukken nu.

(c) De Rode Valies

’s Nachts bevind ik me in de tuin van de vriend. Bij daglicht. Met al wie hem lief was. We praten, drinken wijn. We dragen allemaal dezelfde jas – de zijne.  De te lange en te brede mouwen hebben we tot aan onze polsen opgerold. Voor elk van ons heeft hij een gedragen exemplaar van zijn jas nagelaten. Om in te schuilen.

Anderen warm houden. Dat deed hij graag.

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Share