Oorlog en vrede op het Vossenplein

Ze zit er al, op een bank, voor de Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekt-Ontvangen-Kerk. Op de eerste lentedag. Met haar groene wintermantel. We kussen elkaar. Ze lacht. Blij dat het weer mag.

Ik zou niet weten wie van ons twee het meest van deze plek houdt. Zij komt hier vaker, denk ik. Een paar keer hebben we elkaar hier toevallig ontmoet. Vandaag is het de eerste keer dat we hier afgesproken hebben.

Elf jaar geleden was ze getuige bij mijn trouw. Toen droeg ze een rode jas en een groen kleedje. Ze is niet veel veranderd. Nog steeds dezelfde donkere krullenbol, dezelfde stralende lach.

Trouwen vonden mijn man en ik nooit belangrijk. Maar samenwonend heb je nog steeds niet dezelfde rechten. Vooral als een van de twee doodgaat, kan het erg nadelig zijn. Die bijkomende pijn wilden we vermijden. Dus besloten we na twintig jaar samen toch te trouwen. Een bescheiden, maar warm feest, in klein maar dierbaar gezelschap.

Daar ligt een schilderij van een bruid. Gedumpt. Maar toch stralend. Al die vervlogen huwelijken hier, al dan niet gelukkig. Soms lees je iets in een blik of in een commentaar bij een foto.

(c) De Rode Valies

De vriendin en ik vormen een goed paar op het Vossenplein. Onze mannen raken we hier vaak kwijt, omdat zij bij andere dingen willen kijken, zoals LP’s. Zij blijft aan mijn zijde en ik aan de hare, we wijzen elkaar dingen aan. Intussen praten we.

Over ons gemoed, dat het moeilijk heeft. De oorlog die sinds het begin van dit jaar woedt, weegt op ons. We vragen ons af of we mee zouden gaan vechten mocht het hier gebeuren. Nee, we zouden laf zijn en vluchten, besluiten we. Dat vraagt ook moed.

Oh, het Vredesboek van Bernard Benson. Daarin bezoekt een jongetje de presidenten van de drie machtigste landen van de wereld en vraagt hen vrede te sluiten. Het was een bestseller ten tijde van de Koude Oorlog. Ik herinner me dat we het vroeger thuis hadden. Toen waren we ook bang voor oorlog en gingen we betogen tegen kernraketten. Benson was een gevechtspiloot tijdens WO II, lees ik later.

(c) De Rode Valies

We zijn niet naar iets speciaals op zoek, maar gewoon benieuwd om met elkaars blik te kijken. Ze wijst naar een opplooibare valies in geruite stof. Het zou een goed rekwisiet zijn voor haar toneellessen. Ik toon haar een matroesjkapoppetje. Vreemd toeval. Net nu we in gedachten in Rusland zitten.

Nieuwsgierig open ik het. Als kind had ik al een fascinatie voor matroesjkapoppetjes. Ik speelde ermee bij mijn meter, die een bijzondere collectie houten en blikken speelgoed bezat. Ik fantaseerde hoe wij allemaal zo’n poppetje waren en in één grote mens zaten. Een mens die als het ware kon vervellen tot vijf miljard andere gedaanten, waar ik er een van was.

De vriendin helpt me de poppetjes vast te houden. Soms moet ik wat wrikken om er een open te krijgen. Het kan me niet snel genoeg gaan, ik popel om het einde te kennen. Twee keer denken we bij het kleinste poppetje te zijn, maar zien we nog steeds een kleine horizontale naad op de buik. Het kleinste poppetje verrast ons. Het is geel en heeft twee ronde zwarte ogen en een open zwarte mond, het kijkt verschrikt. Het doet me denken aan het kind, dat als enige ziet dat de keizer geen kleren aan heeft. En roept. Of aan De Schreeuw van Munch.

Weer een trouwfoto. Een vlinder landt ernaast. Een oude dagpauwoog met een hap uit zijn vleugel. Ik neem mijn fototoestel. De vriendin ziet het en legt, om me aan een betere foto te helpen, snel een magazine naast de vlinder. Op de cover een vrouw met bruin haar en bruine ogen tegen een hemelblauwe achtergrond. Ze past mooi bij de dagpauwoog. Ik druk af. De vlinder vliegt op.

(c) De Rode Valies

We hollen hem achterna. Dolle pret. Een beetje verder gaat hij zitten op een kassei. Hij heeft niet lang meer, is uitgeput, dat zie je. Ik hurk bij hem neer en fotografeer hem nog één keer. Voorbijgangers merken hem nu ook op.

De vriendin vindt een groene vaas. Ze twijfelt. Ik zeg dat hij goed op haar buffetkast zal passen. De vaas is wat duur. De vriendin weet stevig af te dingen, ze is daar beter in dan ik. Ze heeft meer charme en speelt goed toneel.

(c) De Rode Valies

Voor de voorstelling die ze met haar leerlingen maakt, is ze nog op zoek naar legeruniformen. Tot onze verbazing vinden we die, bij een kraam waar verschillende legerbroeken en -vesten liggen. De vriendin houdt een broek voor zich, om te kijken of de maat goed is. Ze is klaar om te vechten. We lachen.

Intussen neem ik een kleine porseleinen schedel vast. Je kan er een kaarsje in branden. De holle ogen geven dan licht. Misschien iets voor voor mijn jongste dochter, zij vindt het vast cool. Je moet je angst in de ogen durven kijken. Maar dit ding vind ik toch veel te eng om in huis te halen.  Net voor ik hem terug wil leggen, landt een honingbij precies in het oog. Op zoek naar stuifmeel.

(c) De Rode Valies

Wat een mooi krukje, met een uit touw geweven zitting. Ideaal om in de zon op het plein voor mijn deur te gaan zitten. Dat wil ik vaker doen. Gewoon voor ons huis gaan zitten, praten met voorbijgangers, zoals vroeger. Sinds de bomen enkele jaren geleden gekapt werden, heeft ons plein nog steeds geen nieuwe invulling gekregen. De gemeente laat het na, we zullen zelf voor wat gezelligheid moeten zorgen.

Blij met onze aankopen, drinken de vriendin en ik koffie bij La Brocante. Er zijn weinig klanten, het bruisende leven van voor corona lijkt er nog steeds niet teruggekeerd. We eten het heerlijke broodje van het huis. En praten bij. Vreugde en verdriet, grote en kleine vragen. Waarom kost het zoveel tijd om te worden wie je bent? Haar warmte doet me wenen. Mogen we nog lang getuigen zijn van elkaars leven.

Enkele dagen later stuurt ze me een foto met als titel ‘Vaasdebuut’. De groene vaas past zoals voorspeld wonderwel op de buffetkast. Ze heeft er paarse irissen in gezet, felgele gerbera’s en zachtgele brem. En kronkelwilgtakken.

(c) De Rode Valies

Deze bijdrage verscheen eerder op de blog De rode valies. Verhalen uit Brussel.

Share