Categorieën
Brussel Cultuurstad Brussel-Stad Kunst

De ceremonie

Twee studenten lopen tegen me aan. Ze lopen door, kijken om en verontschuldigen zich. Ze lachen uitbundig. De ogen onder hun klep verraden liters bier. De torens lijken kleiner van hier. Ik voel een pijnscheut in mijn rechter bovenarm. Hun klakken en linten zijn oranje. Hun schakelkettingen weerklinken luid op de binnenplaats van het Brusselse Stadhuis. Ze lopen een trap af aan de kant van de fontein met de oude Neptunus. Ik volg hen. Ze openen hun rits, trekken hun slip omlaag en plassen. Ze zijn te laat. De torens lijken op kindertekeningen.

‘Yo Koen, oude rukker!’ hoor ik achter me. Ik draai me om. Greta piept tevoorschijn uit de poortgang aan de Vruntstraat. Ze wuift ostentatief. Haar haar lijkt weer korter. Al richten ze een geweer op mijn hoofd, ik zou de kleur van haar buzz cut niet kunnen benoemen. Binnen handbereik zoekt ze mijn handen: ‘Ik kus mensen niet langer’. We schudden onze vier handen ongemakkelijk op en neer alsof we een middeleeuwse dans uitvoeren. ‘Heb je al kaartjes?’ vraagt ze me zachtjes. Ik schud mijn hoofd, haak mijn rechterarm rond haar linkerarm en leid haar naar de inkom van het museum. Ik geef haar een kus op de kaak. Ze gilt.

‘Bonjour, welcome, hallo.’ Zijn accent maakt duidelijk dat hij Nederlandstalig is. ‘Graag een ticket voor het museum.’ Ik zoek mijn gsm in mijn jaszak: ‘Ik heb een museumpas.’ Ik vind de roze museumpas-app en breng de pas digitaal tot leven onder mijn wijsvinger. Ik klik op Mijn pas en toon de Nederlandstalige loketbediende de QR-code. Na het scannen van de code krijg ik een ticket: ‘Gelieve bij mijn collega een videogids af te halen.’ Ik knik en ik merk dat Greta niet mee is gevolgd tot aan de ticketbalie. Gierige trut, denk ik en ik bestel nog een kaartje: ‘Zonder museumpas’.

‘Kan je geloven dat ik hier nog nooit ben geweest?’ We staan voor het monumentale schilderij “De Hofberg” van François Gaillard. Greta legt haar arm rond mijn hals. Ik knik: ‘Ja. Jij gaat nooit naar musea.’ De schilder heeft dit straattafereel gemaakt in 1888. Eén acht acht acht. Mooi getal. Wat apart dat de schilder zo’n groot deel van het doek voorbehouden heeft voor ordinaire kinderkopkes. Wel duizend. De kasseien, groot vooraan, worden steeds kleiner naarmate de blik stijgt. De keien leiden de kijker naar een vaag maar onveranderlijk silhouet: de Sint-Jacob-op-Koudenbergkerk op het Koningsplein. ‘In het Broodhuis hangt er ook een schilderij van deze kunstenaar. Een carnavalsoptocht op de Anspachlaan en op de achtergrond zie je nog de Augustijnenkerk. Op het De Brouckèreplein, weet je wel? Schitterend!’ Greta legt haar hoofd op mijn schouder en maakt een snurkgeluid. Het doet me denken aan het knorgeluid van een varken.

De samenleving op het schilderij is makkelijk leesbaar. De hoofdkleur van het schilderij is grijs, alsof je een schilderij van Luc Tuymans binnenwandelt. De kleuren van de kleding van de personages, van de straat, van de gebouwen en van het zwerk bevinden zich bijna allemaal op het spectrum tussen titanium-wit en houtskool-zwart. Bruintinten blijven behouden voor de winkels op het gelijkvloers en een enkel kostuum. Er lopen drie honden vrij rond. Iedereen kent zijn plek in het geheel. Het leven als een mierennest. Allen dragen donkere kledij. De kledij van de mannen is fantasieloos, die van de vrouwen bedekt met witte katoenen schortjurken. Ik weet dat de negentiende eeuw kleur had en niet zwart-wit was. Ik ruik het verleden niet, ik hoor het ook niet maar wat straalt het een rust uit. Geen schreeuwerige reclame en niemand die uniek wil zijn. Mijn hand voor een teletijdmachine.

‘Wat vreemd,’ zeg ik plots, ‘dit beeld doet me denken aan schoolkinderen. Gisteren stond ik te wachten op de tram en er stonden twee groepjes studenten op het perron. De meisjes bij de meisjes en de jongens bij de jongens. Ze droegen allemaal dezelfde kleding, in donkere kleuren: baggy jeans, grove sneakers, waterbestendige zwarte vestjes. Het rook er naar angst. Ze stonden ook onnatuurlijk dicht op elkaar gepakt. Je moet in hun personal space staan of het voelt als te veel vrijheid. Alsof je elkaar moet aanraken. Constant, de hele tijd, obsessief. Een pas achteruit en je wordt levenslang verstoten, veroordeeld tot een dodentocht door de woestijn onder een loden zon die je onherroepelijk uitdroogt, weet je wel?’ Greta rolt haar ogen en zucht: ‘Whatever Koen. Ik vind het niet leuk.’

Ik wijs naar drie vrouwen, midden rechts op het schilderij: ‘Kijk, wat een durvers. Zij dragen rood! Ik zie een rode rok, een rode paraplu, een rode schortjurk en een rode hoed met niet minder dan een pluim. Power to the people! De rebellen van de bovenstad. Denk je niet? Wijst dit op emotie? Op frivoliteit? Eisen ze hun autonomie op? Of blijft rood langer proper dan wit?’ Greta laat los: ‘Nee Koen. Ik hoor je al komen. Vrouwen dragen rood en zijn hysterisch. Ik heb hier geen zin in.’ Ze doet een stap achteruit. Ze knippert met haar ogen en kijkt me aan: ‘Ik wil dit niet langer. Je toon. Die stelligheid. Dat onverzettelijke. Dat lacherige. Die grapjes steeds, zodat je kan zeggen dat je het niet meent.’ Ze plaatst haar wijsvinger voor haar mond en zegt, stiller: ‘Ik ben je een beetje zat.’ Ze schudt haar hoofd: ‘Zeg me liever waar de toiletten zijn. Koud water op mijn polsen.’ Ik denk aan de oranje studenten en ik weet: dit valt nog te redden: ‘Your wish is my command. Ik zoek het voor je uit.’

            ‘Nee Koen. Geen uren gaan zoeken. Dat is nu typisch mannen. Het zelf willen uitzoeken. Vraag gewoon die suppoost waar de wc’s zijn!’

            ‘What the fuck Greta! Je doet vervelend. Typisch vrouwen: bevelen geven.’ Ik adem diep in. Ik kan nu best zwijgen. Mijn mond opent zich: ‘Moet ik je toiletbezoek ook financieren?’ Greta stuift de trap op. De treden kraken.

Ik tref haar voor het manshoge portret van Leopold I. Ik kijk de eerste koning van België in de ogen: ‘Volgens mij hing dit staatsieportret vroeger in het Broodhuis.’ Ik wijs naar zijn hoofd: ‘Zijn haar is naar voor gekamd. Misschien hebben ze een windmachine achter hem geplaatst?’ Greta wil er niet van weten. Ze kijkt me niet-begrijpend aan en ik geef me over: ‘Ok, Greta, spit it out. Wat ligt er op je lever?’

            ‘Koen. Ja Koen, ik ben al nerveus aan ons uitje begonnen. Het wordt me af en toe gewoon te veel. Ik ben dat gekanker op vrouwen zat. Al die meningen, al dat gezeik. Ik heb daar geen zin meer in.’ Ze wijst naar Leopold I en dan naar mij: ‘Jullie. De mannen. Sinds mensenheugenis vertellen jullie ons wat wij, de vrouwen, moeten doen. En dat doen jullie nog steeds. Jullie hebben ons eeuwenlang behandeld als tweederangsburgers. Wij moeten jullie ideeën uitvoeren en vervolgens dank u zeggen.’ Ze doet een stap achteruit: ‘Het hangt me serieus de keel uit. Mannen rationeel, vrouwen emotioneel, blabla. Ik wil godverdomme respect.’ Ze wijst opnieuw naar Leopold I: ‘Hij bedroog zijn vrouw ook bij het leven,’ en dan stiller, ‘klootzak.’ Ze sluit haar ogen en vertraagt haar ademhaling.

Greta kalmeert. Als ik nu zwijg, denk ik, en we hier een tijdje blijven staan, kunnen we het voorval afsluiten en er alsnog een mooie namiddag van maken. Maar het jeukt: ‘Greta, ik ben honderd procent akkoord met je betoog, maar ik vind het honderd procent ongepast om dit over mij uit te kotsen. Ik ben feminist en ik ben niet van mening dat enkel vrouwen hysterisch gedrag vertonen. Ook mannen kunnen hysterisch zijn. Emoties, lieve Greta, hebben geen gender.’ Een zorgeloze namiddag behoort nu niet langer tot de mogelijkheden. Ik wijs op mijn beurt naar Leopold I: ‘Regel nummer één: richt je kwaadheid op de juiste persoon.’ Greta krijst het uit: ‘Mannen moeten leren zwijgen!’ Ze draait zich om en loopt links de gang in. Het beste wat ik nu kan doen is haar ruimte geven. Ik ren haar achterna.

Om de hoek bots ik tegen Greta aan. We staan in de antieke gemeentelijke raadszaal. Greta staat aan de grond genageld. Ze kijkt naar toeristen die kartonnen bakken met noedels en blikjes cola uit plastieken zakken tevoorschijn halen. De sfeer is grimmig. ‘Wat is hier gaande?’ vraag ik haar fluisterend.

            ‘Ze hebben zich toegang verschaft tot het afgesloten gedeelte. Ze klikten de afzetkoord los van de muurbeugel en gingen in de rood leren stoeltjes zitten. Dit kan niet.’ Ik bekijk het tafereel met open mond. De luide toeristen contrasteren fel met de weelderige decoratie van de historische vergaderzaal: wandtapijten, lambriseringen, kroonluchters, schilderijen in vergulde lijsten, messing, gevlochten koorden en een plafondschildering die een glimp toont van het volgende leven. Ze zijn met zes. Ze zetten hun eetstokjes vast in hun handpalmen, vouwen de bak open en slurpen hun noedels naar binnen. Een veiligheidsagent stormt binnen. Zonder iets te zeggen rent hij verder. Blikjes springen open.

Verward verlaten we de ruimte. We lopen zij aan zij de gang in en we zwijgen. Onze energieën doen wat verkennend werk. Ze raken elkaar aan, tasten af en snuffelen. Wat is hier nog mogelijk? In de zaal van de Staten van Brabant leg ik mijn rechterhand op haar schouder en draai haar zachtjes naar me toe: ‘Ik heb je nog nooit zo fel gezien.’ Ze kijkt op. Ik glimlach en ik voel een opening: ‘Hoe kom je erbij dat ik geen hart heb voor vrouwen? Ik ben grootgebracht door een leger vrouwen. Ik heb juist ontzettend veel respect voor vrouwen. Hoe jullie na de oorlog jullie plaats hebben opgeëist op de werkvloer. Hoe jullie dit combineren met huiswerk. Jullie doen het allemaal. Jullie kunnen alles. Jullie staan emotioneel gezien mijlenver voor op ons. Jullie hebben het feminisme. Wij hebben niks.’

Ik kom op dreef en gooi mijn handen mee in de mix: ‘Ik vind het jammer dat wij na de tweede wereldoorlog geen soortgelijke beweging hebben gemaakt. Niet van het huiswerk naar de werkvloer, zoals jullie hebben gedaan maar in omgekeerde richting: van de werkvloer naar het zorgen voor de kinderen thuis. Manisme? Ofzoiets? Weet je wel? Gewoon het huishouden doen. Huismannen worden nog steeds scheef bekeken.’ Greta roept haar energie terug, ze kruist haar armen en transformeert haar ogen en mond tot streepjes. Ik glimlach opnieuw: ‘Mannen kunnen ook stofzuigen, misschien wel beter dan vrouwen?’

‘Meen je dit nu? Fucking zeikerd. Toch een geitenpaadje gevonden naar het slachtofferschap? Ik wil je nooit meer zien.’ Ze denkt na. ‘Hier maak ik geen woorden meer aan vuil.’ Ze draait zich om en wandelt rustig de gang uit, armen in de lucht.

Het tapijt dempt de voetstappen van de bezoekers. Langs de kant van de Karel Bulsstraat schijnt de zon volop naar binnen. Vrouwen met hakken dragen wegwerp schoenhoesjes. Het diffuse licht maakt stofdeeltjes zichtbaar. De kleuren van de wandtapijten zijn vaal geworden. De steden Antwerpen, Brussel en Leuven zijn afgebeeld via vrouwenfiguren. De bloemen op de stillevens zijn donkerder geworden.

In het burgemeesterskabinet kijk ik naar een schilderij van het Sint-Katelijnedok en ik zoek mijn appartement op de oude plattegrond. Ik hoor gerommel op de gang en plots spurt een man met korte broek de ruimte binnen. Net voor de gevlochten koord zet hij zich af en springt hij het afgezette deel van het kabinet in. Hij landt met een luide knal op de houten vloer. Hij draait de oude stoel naar zich toe en neemt plaats. Hij plaatst zijn pet op het bureau en brengt zijn haar in model. Hij neemt een doosje uit een bruine zak van Hard Rock Cafe en licht er een monster hamburger uit. Een veiligheidsagent snelt de kamer in en stapt, buiten adem, op me af: ‘Meneer. U draagt geen videogids.’ Ik knik. De veiligheidsagent herhaalt wat hij net zei en: ‘Zonder videogids moet ik u naar buiten escorteren.’

Share

Door Thomas Dielman

In Het gemeenschapscentrum is David uitgenodigd om er samen met de sociaal-cultureel medewerkers activiteiten te bedenken om mensen opnieuw duurzaam met elkaar te verbinden. De medewerkers reageren niet unaniem positief op zijn komst. Thomas Dielman is beeldend kunstenaar en auteur. Hij woont in het centrum van Brussel. In 2024 verscheen zijn debuut Het straatfeest.