Categorieën
Brussel Cultuurstad Kunst

De huisvrouw en de kunstwerker

Ik sta aan de verkeerde metro-ingang te wachten. Ik sta bij de metro-ingang die de reizigers naar het noorden van de stad brengt, onder het kanaal Molenbeek in en dan verder naar Anderlecht. Ik moet naar het zuiden en wandel naar de metro-ingang aan de andere kant van de Vismet, slechts een tiental meters verder.

Zes lettergrepen zitten er in Watermaal-Bosvoorde. Zwanen en parkieten, minder fijnstof. Het is er vast warmer. Bomen gepland in cirkels, glooiende grasvelden, vijvers met steiger en golvende buxushagen. Veertien stops met metro nummer vijf en je wandelt het dorp van Rik Wouters in. Na vijftien jaar sta ik nog steeds aan de verkeerde metro-ingang, de stad zit verkeerd in mijn hoofd.

            Het is ijskoud met een strakblauwe hemel. Ideaal skiweer. Ik knik bevestigend en denk: de Vismet is het mooiste plein van de hoofdstad. Een inspirerende rechthoek, op dit moment nagenoeg leeg. Er flikkert een muntje tussen de kasseien. Ik kniel en hou het muntje tussen duim en wijsvinger: 5 cent. De noordzijde van de Sint-Katelijnekerk is heerlijk zacht hersteld in zijn vroegere glorie, een voorproefje van de steden in het hiernamaals. Ik steek het muntje in mijn jaszak en ik leg mijn vrijgekomen hand op een kassei. Hier stroomde vroeger de rivier Styx en werden de doden vervoerd naar hun definitieve rustplaats, hun ogen gesloten en een muntje onder hun tong. De zonnestralen laten van zich horen in de groengele glas-in-loodramen.

            ‘Je geweten verloren?’ Sonja staat achter me, haar schaduw als een puntzwaard dat me doorklieft. Ik draai mijn hoofd, mijn rechterhand als zonnebril en ik zie Sonja’s dreigend silhouet boven me.  Mijn gedachten kronkelen zich rond het begrip ‘gewetenloos’: Hoe komt ze daar nu bij? Ik sta op, duizelig en een beetje verward. Ik leg mijn rechterhand op haar linkerschouder. ‘Hey! Dag Sonja’. Ik geef haar een zoen, adem diep in en toon haar het muntje: ‘Het begin van een fortuin.’

‘Fortuinen worden overschat.’

Ik volg haar de steile trap af, op weg naar de poortjes. Ik hou me vast aan de leuning. Ik pak mijn MOBIB-kaart, schuif het over de kaartlezer en de deurtjes openen zich. Op ongeveer een meter van de perronboord sta ik naast Sonja. Ik bekijk het realtimebord: ons metrostel is slechts twee haltes van ons verwijderd. Dit wordt een lange rit. Wachten, opstappen, zitten, veertien haltes. De chauffeur mag maar zestien seconden wachten aan het perron. Sonja klemt haar linkerarm rond mijn rechterarm: ‘Ik heb zo’n zin in jouw kunst vandaag. Even verdwijnen in jouw eenvoudige wereld. Even landen, snap je?’ Ze laat me los en lacht: ‘Kijk niet zo benauwd!’. Ze knijpt me in mijn billen: ‘Ontspan, lieverd. Enjoy. Ik ben er en ik kom naar je schilderijen kijken!

Ze gaat met haar rechterhand door mijn haar. ‘Ik heb mijn agenda leeggehaald,’ en zonder adempauze: ‘Ik koop het schilderij van de uitnodiging!’ Ze zoekt naar een gepaste reactie op mijn gezicht.  Ik schrik en recht mijn rug: ‘Je hebt het schilderij nog niet gezien. In het echt, bedoel ik. Je kent de afmetingen niet. En het kan ook niet. Ik heb het schilderij verkocht op de vernissage. Ik heb zeven schilderijen verkocht op de eerste avond, waaronder het beeld van de uitnodiging. Ja, nog twee schilderijen en ik ben uitverkocht.’ Sonja kijkt strak voor zich uit: ‘Je wist dat ik onmogelijk kon komen.’ Ze kijkt de lege tunnel in waar het metrostel elk moment kan uitrijden. ‘Ik hou van al je schilderijen, maar vooral van de schilderijen die je op de uitnodiging plaatst. Volgens mij zijn dat steeds de eerste schilderijen die je maakt. Niet? En die het idee van de reeks gebald weergeven, waarin de vonk nog zichtbaar is. Het origineel waar de andere schilderijen wat naast staan. Het origineel en de print. Kan je niets regelen, lieverd?’

De metro rijdt binnen. De deuren openen zich. In- en uitstappen gebeurt gelijktijdig. Ik zoek Sonja die teken doet vanuit een tweezit. Ik neem plaats aan het raam. De tweezit staat loodrecht op een veel langere zitbank in de lengt, waar mensen tegenover elkaar komen te zitten. De meesten zitten echter op hun gsm. De onderkant van haar tas beukt in op mijn rechterknie. Ik wil hier niet zijn. Ik heb haar gebeld. Waarom doe ik dat toch steeds? Ik wil opgaan in de massa, uiteenvallen in atomen en opgezogen worden door het luchtkoelsysteem. Ik hoor het geluidssignaal. De deuren sluiten en de metro vervolgt zijn lijn.

Ik schraap mijn keel en draai me een beetje naar Sonja: ‘Hoe gaat het met je? Kan je wennen nu Daan het huis uit is?’

‘Zeker, schat, lief van je. Het is tijd dat hij op eigen benen leert te staan, ons Daantje. Daan moet in zijn eigen onderhoud voorzien. Volgens mij is dat de belangrijkste les die ik hem kan meegeven: zie dat je onafhankelijk bent. Dop je eigen boontjes. Ik hoor het mijn moeder nog zeggen: Van niemand afhankelijk zijn. Dat is de basis. Dat is de basis om vrij te kunnen zijn. Vrij om jezelf te kunnen zijn. Om je te kunnen ontplooien naar de mens die je altijd voorbestemd was te worden.’ Sonja kijkt me onderzoekend aan en schiet: ‘Hoe lang ben je nu al werkloos?’ Shit, we zijn nog maar bij de halte De Brouckère. De metro mindert vaart en stopt. De deuren gaan automatisch open. Niemand komt het metrostel in.

‘Technisch gezien ben ik niet langer werkloos. Ik ontvang geen werkloosheidsuitkeringen meer. Een half jaar geleden ben ik ontslagen en daarna kreeg ik werkloosheidsuitkeringen van de RVA. Uren zitten neusvreten in de wachtkamer van de Hulpkas. Ik heb de hele wereld daar zien passeren. In augustus heb ik een aanvraag ingediend bij de Kunstwerkcommissie voor een kunstwerkattest, wat ze hebben ingewilligd! Een hele klus om die aanvraag in te dienen. Een lange reis door alles wat ik ooit geschilderd heb. Zeg dus niet langer werkloosheidsuitkeringen, maar kunstwerkuitkeringen. Het verschil zit in de details. Ik ben dus officieel kunstenaar. Kan je je dat voorstellen? Wat een opluchting!’

‘Kunstenaar was je altijd al. Toch? Ze kijkt me lief aan: ‘Hoe langer je wacht opnieuw aan de slag te gaan, hoe moeilijker het wordt. De uit-stand wordt je nieuwe normaal. Dat moet je niet willen, lieverd. Ze zullen je moeten reanimeren.’ Verbaasd kijk ik haar aan. Heeft ze me niet begrepen? ‘Ik ben kunstenaar, Sonja. Ik schilder. Ik maak schilderijen. Dat is mijn productie, zeg maar. Ik ben aan het werk.’

‘Dat zei je al, lieverd.’ Ze kijkt me opnieuw aan en knipoogt. Ze tilt haar handtas op en veegt imaginaire kruimels van haar schoot. ‘Schilder je nog af en toe?’

‘Of ik nog schilder? Ja, Sonja. Ik. Schilder. Nog. Mocht het nog niet duidelijk zijn dan wil ik het graag nog een keer officieel zeggen: mijn naam is Dieter en ik schilder. Net zoals Nick Cave begin ik elke werkdag om negen uur ’s morgens en stop ik pas om vijf uur in de namiddag. Ik blijf voor mijn muur zitten tot de klok vijf uur slaat, zelfs als ik het niet voel. Volgens mij is dat de enige manier. Je neemt je werk serieus, jezelf niet.’

‘Jij pakt jezelf wel serieus, lieverd. Dat siert je. Introspectie is nooit je sterkste kant geweest. Je neemt jezelf serieus en dat is geen probleem. Het vermoeit je wel. Dat zie ik. Je ziet er moe uit. Niets ontgaat me, dat weet je.’ Ik knik en kijk naar buiten. Sonja kruipt onder mijn huid. Ik wil haar achterhoofd stevig vastnemen en haar hoofd tegen de metalen stang aankwakken en vervolgens verder op haar inbeuken met haar handtas die op een bankkluis lijkt. Ik sta op en ga op de eerste plaats van de lange zitbank zitten, met mijn rug naar het raam. Ik wil haar niet langer tegen me aanvoelen. ‘Even de benen strekken! We hebben nog even te gaan!’

‘Strek jij maar even je benen, lieve jongen.’ Ze buigt zich naar me toe: ‘Wat ik me afvraag: voel je nog enige urgentie bij het maken van je kunst als je zo gepamperd wordt door vadertje staat? Kan je dan nog wel spreken over “eigen werk”’. Ze zet aanhalingstekens in de lucht met haar wijsvingers. De lucht in het metrostel is steeds benauwder. Mijn hele lijf begint te trillen en ik wieg naar voor en naar achter om dit trillen tegen te gaan. Of te maskeren? ‘Wat ben je begaan met het lot van ons overheidsgeld. Bezorgd dat het niet wijs wordt besteed? Of ben je gestuurd door de Hulpkas?’ grap ik. Sonja geeft geen krimp. Ik ga door: ‘Nooit geweten dat je zo’n hart hebt voor de gemeenschap.’

‘Oh,’ lacht ze verontschuldigend, ‘heb ik een teer punt geraakt? Ik heb niets tegen overheidskunst maar laten we een kat een kat noemen. Het zet de mythe van de vrije kunstenaar toch een beetje op losse schroeven. Niet? Het is tijd voor een eerlijker verhaal, dunkt me.’ Het wordt me te veel en ik laat het steekspel varen. ‘Ik ken je zo niet, Sonja. Wat is er? Je bent niet enkel fel, je bent gemeen. Je haalt me onderuit.’ Sonja reageert niet. Verbouwereerd schud ik mijn hoofd, ik strek mijn benen, steek mijn handen in mijn broekzakken en duw mezelf tegen de rugleuning. De zenuwen blijven door mijn lijf gieren. Ik zweet. Ik verander het geweer van schouder. ‘Ben je gefrustreerd? Ik herinner me dat je vroeger verhalen schreef. Je wilde auteur worden. Hoe vlot dat plan?’

‘Ook snel op je teentjes getrapt. Ik heb niet het talent om een goed verhaal te schrijven. Ik leg de lat hoog, Dieter. Ik voldoe niet aan mijn eigen standaard. Ik schaam me daar niet voor.’ Ze schuift naar de andere kant van de tweezit en bekijkt zichzelf in het raam. De metro rijdt door de tunnel tussen de haltes Centraal Station en Park. Ze zet haar rechter ringvinger op haar rechtermondhoek. Ze wrijft haar lippen over elkaar heen om de lippenbalsem opnieuw glad te strijken. ‘Ik heb het veel verder geschopt dan professioneel schrijfster.’ Ze tuit haar lippen en kijkt me aan: ‘Ik ben vrij.’ Ik weet me geen houding te geven. Ik sta opnieuw op, wapper met mijn ene voet, dan met de andere. Ik hou me vast aan de blinkende stang die me reflecteert in een lange donkere lijn. ‘Waarom wil je mijn tentoonstelling komen bekijken, mijn ambtenaar-schilderijen?’

‘Stop met janken, Dieter!’ Sonja gooit haar handtas naast zich op de vrijgekomen plaats en schreeuwt: ‘En sta godverdomme stil! Met je gezeik ook altijd!’. Ze sluit haar ogen en zuigt haar longen vol. Op opgewekte toon gaat ze onverstoorbaar verder. ‘Ik geef je advies, Dieter. De zweepslagen zijn voor jouw rekening. Ik vind dat je op zoek moet naar een galerist. Een professional die je kan helpen met de verkoop van je schilderijen. Je eigen werk aanprijzen in een parochiezaal is volgens mij niet de weg naar een glorierijke toekomst. Mag ik dit zeggen? Of mag je ambitie niet combineren met je nieuw verkregen statuut?’ De deuren gaan open en ik denk aan het Warandepark dat boven deze halte ligt. Frisse lucht. Lucht. We hebben een totaal verschillend wereldbeeld en toch slagen we erin elkaar pijn te doen. Of is dat net de oorzaak? Best verbazend. Ik heb nog een halte nodig, denk ik.

Ik spreid mijn benen, steek mijn rechterhand in mijn strakke rechterbroekzak. Ik pak mijn portefeuille beet. Ik voel het zweet in mijn palm. Kleefkloten. Ik ruik mijn oksels. Ik kijk uit de hoogte op Sonja neer en ik klik mijn blik vast op de hare. De deuren sluiten zich. ‘Vrijheid? Jij denkt dat je vrij bent? Als er hier één iemand is die niet vrij is dan ben jij het, lieve Sonja. Wat als Harry, die niet kon wachten je buiten te gooien, de alimentatie niet langer betaalt? Wat doe je? Wat zijn je opties dan? Je kan niets. Het enige wat je in je leven gedaan hebt is de deur opendoen voor de kindermeisjes die Daan hebben opgevoed. Je hebt geen dag in je leven gewerkt. Het enige wat je kan is te strakke kleding shoppen en gaan lunchen met vriendinnen. Vriendinnen die je niet kan uitstaan. Kom mij niet vertellen dat ik een profiteur ben en geen eigen leven leid. Kom mij geen advies geven. Wat weet jij van het leven?’

Ik neem even pauze. Sommige medereizigers kijken niet langer naar hun scherm maar kijken ons met open mond aan. ‘Niemand wacht op je. Je komt thuis in een leeg huis. Je bent niet vrij, Sonja. Je bent alleen.’ De zenuwen zijn mijn tenen uitgestroomd. Ik tril niet langer. Sonja haalt haar gsm uit haar bunkertas, typt haar code en kruist haar benen. Ik hervind mijn evenwicht. De halte Kunst-Wet komt in zicht. We zijn twee personen die toevallig dicht bij elkaar staan.

Ik verlaat het metrostation en steek de drukke Regentlaan over. Ik kantel mijn hoofd naar mijn schouders. Het miezert. De kwaadheid en de euforie brokkelen af en maken plaats voor zeer vervelend schuldgevoel, dat de gewoonte heeft veel langer te blijven plakken. Ik heb de energie niet om de woestheid opnieuw op te roepen. Auto’s razen voorbij, net als de woorden die ik zojuist naar Sonja heb geroepen. Verdoofd kijk ik naar de Amerikaanse ambassade, de façade van de Russissche delegatie in de EU en de Bank van China. Alles verandert, behalve mijn relatie met Sonja.

Ter hoogte van het Théâtre Royal du Parc bel ik Thijs op. Ik doe hem het relaas van de korte metrorit: ‘Ze heeft me zelfs niet gevraagd waar mijn expo over gaat. Het interesseert haar niet, denk ik.’

‘Wat maakt het ook uit, man? Je had haar je laatste twee schilderijen kunnen verpatsen. Wat ben je toch ook een lul. De. Klant. Is. Koning. Knoop het in je oren!’

‘Als zij mijn werk koopt, stopt het verhaal van het schilderij daar en dan. Zij koopt geen kunst, zij koopt een object.  Zij is geen goede woordvoerder voor mijn werk. Zij koopt geen magie, maar een doek, verf en spieramen. Haar woonkamer is een kerkhof voor schilderijen.’ Thijs zucht: ‘Wil je succes of wil je geen succes?’ en hangt op.

Ik ga zitten op een bank in het park en kijk door het fonteinwater. Lindebomen omcirkelen de fontein. Mijn ademhaling vertraagt. Het geluid van water en het gekras van groene parkieten. De ruimte tussen de bomen vertelt evengoed een verhaal.

Twee champagnecoupes met flou op de achtergrond een deel van mijn tentoonstelling. Ik kijk die avond verbaasd naar een foto die Sonja heeft gepost op Facebook. Boven de foto staat: ‘Privé-rondleiding van de Maestro! Speelse eenvoud die ontroert. De belofte op een betere wereld schittert als een halo rond elk werk. Ik kan niet wachten jullie mijn nieuw aanwinsten te laten zien!’ Meer dan driehonderd likes. Met mijn cursor tast ik volgende gevoelens af: leuk, geweldig, medeleven, grappig, verbluft, verdrietig of boos. Ik kan er maar één kiezen. Ik kan de hele post ook negeren. Ik weet niet wat ik voel. Ik klik op geweldig. Geweldig kleurt rood. Ze heeft mijn naam niet eens vermeld. Ik voel me niet geweldig. Tussen de vele opmerkingen lees ik de volgende woorden van Thijs: ‘Benieuwd en merci voor je post, schat!’

Emma van het cultureel centrum belt me op: ‘Goed nieuws, Dieter, mevrouw Sonja heeft je laatste twee schilderijen gekocht! In het gastenboek laat ze je weten dat het harde werken eindelijk zijn vruchten afwerpt.’

‘Fantastisch nieuws, inderdaad.’

Ik open WhatsApp en zoek Sonja’s naam en foto. Ik typ: Dank je, en klik op verzenden. Drie puntjes waaien op. Sonja stuurt een witte tekstballon: ‘Jij bedankt. Kan je de schilderijen vandaag brengen/ophangen? Morgen groot feest met enkele galerijhouders. Ik vind je een topgalerij. Wedden?

De tentoonstelling loopt nog drie weken, denk ik. Ik zet mijn wijsvinger op haar tekstballon en mijn vinger glijdt naar het duimpje.

Share

Door Thomas Dielman

In Het gemeenschapscentrum is David uitgenodigd om er samen met de sociaal-cultureel medewerkers activiteiten te bedenken om mensen opnieuw duurzaam met elkaar te verbinden. De medewerkers reageren niet unaniem positief op zijn komst. Thomas Dielman is beeldend kunstenaar en auteur. Hij woont in het centrum van Brussel. In 2024 verscheen zijn debuut Het straatfeest.